Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 17 september 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:5729
Chauffeur met ASS wijkt af van zijn route en koppelt een containerfoto aan een niet-bezochte klant, maar ontbindingsverzoek wordt afgewezen: werkgever brak het jobcoachtraject te vroeg af en onderzocht onvoldoende welke verdere begeleiding en aanpassingen mogelijk waren.

Feiten

Werknemer is sinds 18 augustus 2014 in dienst bij werkgever als chauffeur/belader, vanaf 19 augustus 2015 voor onbepaalde tijd. Een psychologisch onderzoek uit 2012 beschreef autismespectrum- en TOM-symptomen, maar bevatte geen formele diagnose wegens ontbrekende informatie uit zijn omgeving. Tijdens het dienstverband ontving werknemer meerdere waarschuwingen. In 2018 vernielde hij een ruit van een bedrijfsvoertuig. Kort daarna meldde hij met de vertrouwenspersoon aan zijn leidinggevende dat hij een autismespectrumstoornis (ASS) had, met het verzoek dit niet verder te delen. Latere waarschuwingen betroffen onder meer het verzamelen en dumpen van afval, onprofessioneel gedrag, afwijkingen van routes en het registreren van niet-verrichte werkzaamheden. De bedrijfsarts signaleerde in 2021 dwangmatig gedrag rond afvalstromen, zonder eigen gewin, dat werknemer moeilijk kon beheersen. In januari 2025 meldde de bedrijfsarts dat een specifieke conditie een belangrijk deel van het gedrag verklaarde, maar geen medische grond bestond voor voortgezet verzuim. In februari 2025 beriep de gemachtigde van werknemer zich expliciet op ASS. Vervolgens startte op voorstel van werknemer een jobcoachtraject, met feitelijke begeleiding vanaf september 2025. De jobcoach adviseerde duidelijke afspraken, transparantie, wekelijkse ventilatiemomenten en mogelijk vermindering van de arbeidsduur. Op 24 december 2025 koppelde werknemer een foto van een lege container aan een klant die hij niet had bezocht en week hij af van de voorgeschreven route. Hiervoor volgde opnieuw een waarschuwing. Tijdens een vervroegde evaluatie op 12 februari 2026 liet werkgever weten dat voortzetting van de samenwerking in de huidige vorm niet mogelijk was. Werknemer meldde zich kort daarna ziek. De bedrijfsarts constateerde op 26 maart 2026 gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en een arbeidsconflict. Werkgever verzoekt ontbinding wegens verwijtbaar handelen, een verstoorde arbeidsverhouding, disfunctioneren en wegens de cumulatiegrond, omdat werknemer structureel instructies en afspraken niet naleefde.

Oordeel

De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek af. Werknemer heeft zijn ASS voldoende onderbouwd met het psychologisch onderzoek, latere adviezen van de bedrijfsarts en verklaringen van voormalige leidinggevenden. Ook werkgever erkende dat werknemer een bepaalde ‘gebruiksaanwijzing’ had. De rechter merkt de ASS aan als handicap of chronische ziekte in de zin van de WGBH/CZ. Tot februari 2025 kan werkgever niet worden verweten dat specifieke aanpassingen ontbraken: werknemer had geheimhouding gevraagd, niet om concrete aanpassingen verzocht en geen veelvuldig ziekteverzuim vertoond dat nader onderzoek vereiste. Werkgever had bovendien ondersteuning voor zijn privésituatie aangeboden en gesprekken over incidenten gevoerd. Vanaf februari 2025 was duidelijk dat werknemer vanwege zijn ASS met aanpassingen wilde blijven werken. Werkgever moest toen onderzoeken welke doeltreffende aanpassingen mogelijk waren. Het jobcoachtraject was passend, maar is te vroeg beëindigd. De begeleiding begon feitelijk pas in september 2025 en het functioneren verbeterde aanvankelijk. De twee incidenten van 24 december rechtvaardigden niet dat het traject vóór het eerste evaluatiemoment werd afgebroken. De e-grond is niet voldragen, omdat het gedrag moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de ASS en de korte begeleidingsduur. De verstoorde arbeidsverhouding hing eveneens samen met de ASS en was juist onderwerp van het jobcoachtraject. Een ander aanspreekpunt voor wekelijkse gesprekken had nog onderzocht kunnen worden. De d-grond faalt wegens het ontbreken van een concreet, toegesneden verbetertraject en onvoldoende onderzoek naar verdere begeleiding of arbeidsduurvermindering. Ook de cumulatiegrond rechtvaardigt geen ontbinding.