Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 3 april 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:3193
Feiten
Werknemer is per 10 februari 2025 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Unlimited Expectations B.V. (hierna: GKS) op basis van een werkweek van 40 uur. Zijn functie is operationeel directeur. Op 17 mei 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin zij met wederzijds goedvinden het dienstverband beëindigen per 17 mei 2026. Als werknemer eerder dan deze einddatum een nieuw dienstverband aangaat, dient hij GKS daarvan op de hoogte te stellen en zal de arbeidsovereenkomst met GKS op een eerder moment eindigen. GKS heeft in oktober 2025 een recherchebureau ingeschakeld dat werknemer in de periode van 21 oktober tot en met 14 november 2025 heeft geobserveerd. Het recherchebureau heeft geconcludeerd dat werknemer gedurende de uitgevoerde observaties nagenoeg elke werkdag van de week werkzaamheden heeft verricht bij FlowGrill. Op 19 november 2025 is werknemer op staande voet ontslagen, omdat hij in strijd met de vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld door niet te melden dat hij voor FlowGrill tegen betaling werkzaamheden heeft verricht gedurende de looptijd van de vaststellingsovereenkomst. Werknemer verzoekt vernietiging van het ontslag op staande voet en een verklaring voor recht dat GKS de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst dient na te komen. GKS verzoekt bij wijze van tegenverzoek de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op de e- dan wel de g-grond.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Vernietiging ontslag op staande voet
In de door GKS opgestelde vaststellingsovereenkomst worden expliciet de woorden ‘werkgever’ en ‘dienstverband’ vermeld. Dat werknemer op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden tegen betaling bij FlowGrill heeft verricht en daarvan geen melding heeft gemaakt bij GKS, is dan ook niet in strijd met die bewoordingen. De overeenkomst is op 17 mei 2025 door de bestuurder van GKS tijdens het gesprek opgesteld. Niet is gebleken dat partijen tijdens dit gesprek hebben besproken dat iedere vorm van inkomsten aan de kant van werknemer aan GKS moet worden gemeld. Ook is er geen enkele aanwijzing voor de door GKS gestelde partijbedoeling dat onder de woorden ‘dienstverband’ en ‘werkgever’ ook een overeenkomst van opdracht moet worden verstaan. GKS, op wie ingevolge artikel 150 Rv de stelplicht rust, heeft evenmin feiten of omstandigheden gesteld dat werknemer op basis van een dienstverband in de zin van artikel 7:610 BW bij FlowGrill werkzaam is, zodat dit niet vast komt te staan. Gelet op het voorgaande is van handelen in strijd met de overeenkomst en daarmee een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW niet gebleken, zodat het gegeven ontslag op staande voet op 19 november 2025 niet rechtsgeldig is. Vernietiging van het ontslag op staande voet volgt. Daarmee herleeft de vaststellingsovereenkomst en is GKS gehouden tot nakoming daarvan.
Afwijzing ontbindingsverzoek
Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van GKS op basis van de e-grond wordt afgewezen, omdat het verrichten van werkzaamheden bij een derde en het in strijd met de instructie van GKS meenemen van de bedrijfsauto, die werknemer enkele dagen later alsnog heeft ingeleverd, geen verwijtbaar handelen opleveren. Daarnaast heeft GKS geen belang in de zin van artikel 3:303 BW bij haar ontbindingsverzoek op de g-grond, omdat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op 17 mei 2026 en de arbeidsovereenkomst met inachtneming van artikel 7:671b lid 8 onder a BW pas op 1 juni 2026 kan worden ontbonden. Afwijzing van het ontbindingsverzoek volgt.
