Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 2 juni 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:1959
Feiten
Werkneemster is sinds 1 juni 2023 in dienst bij Fertiglobe Mena B.V. (hierna: Fertiglobe) en werkzaam als productmanager Urea. In 2023 is met werkneemster een verbetertraject begonnen, maar Fertiglobe heeft dit niet afgemaakt. In maart 2024 heeft werkneemster bij de vicepresident human capital klachten gemeld over het commercieel management. De klachten gaan over het gedrag van haar leidinggevenden in hun omgang met werkneemster, waardoor zij zich geïntimideerd, genegeerd en gepasseerd voelt en verhinderd wordt om haar werk te doen. In augustus 2024 neemt werkneemster contact op met de interne complianceafdeling die de klachten in behandeling neemt. Op 12 december 2024 heeft Fertiglobe werkneemster geïnformeerd over de uitkomst van het onderzoek, waarbij haar klachten niet zijn bevestigd. Werkneemster is vervolgens op non-actief gesteld. In eerste aanleg is de arbeidsovereenkomst op de g-grond ontbonden. Werkneemster heeft hoger beroep ingesteld. Zij verzoekt het hof het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op 1 oktober 2025 en haar, onder meer, een billijke vergoeding van € 202.000 toe te kennen.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. In hoger beroep staat de ontbinding op de g-grond vast. Ook als het door toedoen van werkneemster voor Fertiglobe moeilijk of onmogelijk was om het functioneren van werkneemster te bespreken of een (nieuw) verbeterplan op te stellen, het het op de weg van Fertiglobe gelegen om werkneemster daarop aan te spreken. Fertiglobe heeft de mogelijkheid van een (nieuw) verbeterplan eerder als drukmiddel voor een beëindigingsvoorstel ingezet dan als reële en serieuze optie voor voortzetting van de arbeidsverhouding. Van Fertiglobe had een voorstel met een omgekeerde gang van zaken mogen worden verwacht. Wordt dit handelen weggedacht, dan is de verwachting gerechtvaardigd dat de arbeidsovereenkomst zou hebben geduurd tot 1 januari 2026. Partijen lijken fundamenteel van inzicht te verschillen over de ruimte die werkneemster in de uitvoering van haar functie had om een van haar leidinggevenden afwijkende mening te hebben over de te volgen koers en de daarbij in acht te nemen normen en waarden. Een daaropvolgend verbetertraject zou als meest waarschijnlijke uitkomst hebben gehad dat het niet de door Fertiglobe gewenste verbetering had opgeleverd. Vervolgens zouden partijen vermoedelijk vruchteloos over een vaststellingsovereenkomst onderhandelen, waarna Fertiglobe zich genoodzaakt zou zien om een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in te dienen. Werkneemster heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken verklaard dat het voor haar momenteel moeilijk is om een baan te vinden in de Europese markt voor polymeren en kunststoffen en dat het een kleine markt is. Het is verder aannemelijk dat de wijze waarop Fertiglobe werkneemster op non-actief heeft gesteld – onaangekondigd, per direct en met blokkering van haar toegang tot de digitale werkomgeving – en het daaropvolgende ontslag een negatief effect hebben gehad op haar reputatie en sollicitaties in die kleine markt. Het hof gaat ervan uit dat werkneemster als gevolg van dit ernstig verwijtbaar handelen van Fertiglobe langer een beroep zal moeten doen op een WW-uitkering dan in de fictieve situatie waarin Fertiglobe niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld. Per saldo acht het hof ter compensatie hiervan een bedrag van € 15.000 bruto passend. Dit bedrag opgeteld bij het inkomensverlies van werkneemster brengt mee dat het hof werkneemster een billijke vergoeding van € 55.656 bruto zal toekennen. Fertiglobe wordt in de proceskosten veroordeeld.
