Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 12 mei 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:1558
Feiten
Werknemer, onder bewind gesteld, is sinds 1 mei 2024 in dienst van Renes Recycling B.V. (hierna: Renes) als chauffeur CE. Op 4 juni 2024 heeft werknemer zich ziek gemeld. Op 21 juni 2024 is hij gezien door de bedrijfsarts. Op 27 juni 2024 is werknemer op staande voet ontslagen, omdat hij onjuiste en onvolledige mededelingen heeft gedaan over de ernst van zijn beperkingen en over zijn arbeidsmogelijkheden tijdens ziekte. Uit onderzoek door bedrijfsrecherche is gebleken dat werknemer allerhande activiteiten te voet verricht. Werknemer heeft een verklaring voor recht verzocht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend. Door de gebruikmaking van bedrijfsrecherche heeft weliswaar een inbreuk op de privacy van werknemer plaatsgevonden, maar dat was gelet op de verdenkingen zijdens Renes gerechtvaardigd. Het hoger beroep strekt ertoe dat de beschikking waarin het ontslag op staande voet rechtsgeldig is geacht, wordt vernietigd. Werknemer verzoekt, onder meer, een billijke vergoeding.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Het hof is van oordeel dat de observaties (van zowel Renes zelf als van het door haar ingeschakelde onderzoeksbureau) niet zodanig zijn geweest dat Renes reeds op basis daarvan, zonder opnieuw de arboverpleegkundige of bedrijfsarts in te schakelen, tot ontslag op staande voet mocht overgaan. De arboverpleegkundige heeft geschreven dat zich strikt genomen geen volledige arbeidsongeschiktheid voordeed en dat ter bevordering van een zo goed mogelijk herstel werkhervatting op korte termijn werd ontraden. Het hof verbindt hieraan de conclusie dat in de betrokken periode behoedzaamheid was geboden bij de interpretatie van de handel en wandel van werknemer in relatie tot (de mate van) zijn arbeidsongeschiktheid. De arbeidsdeskundige heeft geschreven dat de beoordeling door de arboverpleegkundige niet uitsluitend was gebaseerd op uitlatingen van werknemer. Het hof concludeert dat de bevindingen van de arboverpleegkundige niet onverenigbaar zijn met de waarnemingen van Renes en de waarnemingen van de bedrijfsrecherche dat werknemer met zijn auto had gereden. Deze waarnemingen waren in elk geval ontoereikend om het ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Bovendien heeft Renes de tegenwerpingen van werknemer, dat hij soms wel op krukken liep en dat hij onder zijn broek een kniebrace droeg en dat hij wel genoodzaakt was soms een boodschap te doen en zijn honden uit te laten, onvoldoende betwist. Dat werknemer op één punt niet de waarheid heeft gesproken, draagt onvoldoende bij aan het betoog van Renes dat er sprake is geweest van het geen volledige inlichtingen geven over de mate van arbeidsongeschiktheid. De uiting van werknemer dat hij op krukken liep, moet worden gezien in de context van onvrede zijdens werknemer over de ten onrechte niet aan hem betaalde overuren. De gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen. Er wordt een billijke vergoeding van € 3.456 toegekend, namelijk het loon van werknemer verhoogd met vakantiebijslag omdat werknemer door het ontslag enkele maanden zonder werk heeft gezeten en moest rondkomen van het minimum. Renes wordt in de proceskosten veroordeeld.
