Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 2 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:2021
Feiten
Werkneemster, geboren in 1960, is in dienst geweest bij werkgever. Volgens werkneemster is zij in dienst vanaf 16 april 1976, volgens werkgever vanaf 30 maart 2006. Sinds 30 juli 2023 is werkneemster arbeidsongeschikt. De loondoorbetalingsverplichting van werkgever eindigde per 27 juli 2025, na 104 weken ziekte. Werkneemster heeft sinds die datum recht op een WIA-uitkering. Werkgever heeft werkneemster op 21 augustus 2025 per brief laten weten de arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV met ingang van 27 juli 2025 te beëindigen. Werkgever heeft een eindafrekening opgesteld en aan werkneemster een transitievergoeding betaald van € 13.866,89 bruto, en de openstaande vakantiedagen uitbetaald, die zijn opgebouwd tot 27 juli 2025. Werkneemster stelt dat werkgever bij de berekening van haar transitievergoeding ten onrechte is uitgegaan van een dienstverband vanaf 30 maart 2006. Verder vindt werkneemster dat zij recht heeft op vakantiedagen die zij heeft opgebouwd na het einde van haar twee jaar ziekte. Vanaf 27 juli 2025 was sprake van een slapend dienstverband. Werkneemster verzoekt toekenning van een aanvullende transitievergoeding van € 24.494,99 bruto en te bepalen dat zij ook na het verstrijken van de 104-wekenperiode van arbeidsongeschiktheid vakantiedagen heeft opgebouwd, tot het einde van de arbeidsovereenkomst, en werkgever te veroordelen deze vakantiedagen uit te betalen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Opzegging met terugwerkende kracht
Met de brief van 21 augustus 2025 heeft werkgever geprobeerd de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht op te zeggen per 27 juli 2025. Dat is in strijd met het gesloten stelsel van het ontslagrecht en kan dus niet. De opzegging heeft pas effect vanaf de datum waarop de opzegbrief werkneemster heeft bereikt. Dat is op zijn vroegst op 21 augustus 2025 geweest. Juridisch gezien is sprake van een opzegging per 21 augustus 2025, zonder opzegtermijn en zonder toestemming van het UWV, waarin is berust door werkneemster.
Hoogte transitievergoeding
Partijen zijn het niet eens over de duur van het dienstverband. De stelling van werkneemster dat zij sinds 16 april 1976 onafgebroken in dienst is geweest, volgt niet zonder meer uit haar stukken en werkgever betwist deze stelling ook gemotiveerd. Werkneemster wordt toegelaten te bewijzen dat zij sinds 16 april 1976 of sinds een latere datum onafgebroken in dienst is geweest bij werkgever dan wel een van zijn rechtsvoorgangers. Werkneemster stelt verder dat zij recht heeft op een transitievergoeding opgebouwd tot 21 augustus 2021. De kantonrechter overweegt in dit kader dat bij de berekening van de transitievergoeding rekening moet worden gehouden met de opzegtermijn die had moeten worden gehanteerd vanaf 21 augustus 2025 bij reguliere opzegging, ook als werkneemster daar niet om heeft gevraagd. De kantonrechter stelt partijen in de gelegenheid een akte te nemen over de vraag wat dit betekent voor de hoogte van de transitievergoeding in deze zaak en daartoe een (aangepaste) berekening in het geding te brengen.
Prejudiciële vraag over vakantiedagenopbouw tijdens slapend dienstverband
Tussen 27 juli 2025 en 21 augustus 2025 is sprake is geweest van een slapend dienstverband. De kantonrechter heeft het voornemen aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag te stellen: Bouwt een arbeidsongeschikte werknemer – anders dan artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt – vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband? Een antwoord op de prejudiciële vraag is nodig om op het verzoek van werkneemster in deze zaak te beslissen. Daarnaast is een antwoord op deze vraag rechtstreeks van belang voor een veelheid nog te verwachten zaken, die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en oorzaken.
Het is de kantonrechter bekend dat over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband inmiddels meerdere procedure zijn gevoerd. Een aantal van deze zaken is geëindigd in een schikking. In een zestal beschikkingen van kantonrechters is het tot (deels tegenstrijdige) uitspraken gekomen:
Kantonrechter Nijmegen 5 juni 2024, zie AR 2024-0858
Kantonrechter Arnhem 12 augustus 2025, zie AR 2025-1064
Kantonrechter Groningen 19 december 2025, zie AR 2026-0026
Kantonrechter Dordrecht 5 februari 2026, zie AR 2026-0291
Kantonrechter Utrecht 18 februari 2026, nog niet gepubliceerd
Kantonrechter Rotterdam 24 februari 2026, zie AR 2026-0309
Ook de literatuur is verdeeld. Naar verwachting zal over dit onderwerp nog veel vaker worden geprocedeerd, tot de Hoge Raad uitsluitsel geeft over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband. Navraag bij de hoven leert dat over dit onderwerp op dit moment nog geen zaken aanhangig zijn.
De kantonrechter stelt partijen, voordat hij de Hoge Raad de prejudiciële vraag stelt, in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over het voornemen om de prejudiciële vraag te stellen en over de inhoud van de te stellen vraag.
