Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 5 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:1215
Feiten
Werknemer is op 1 april 2017 bij VERM in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker. Werknemer is sinds 12 oktober 2022 arbeidsongeschikt. Sinds die datum heeft hij niet meer gewerkt voor VERM. Sinds 9 oktober 2024 ontvangt hij een WIA-uitkering (IVA). Werknemer vraagt nu ontbinding van de arbeidsovereenkomst, betaling van de transitievergoeding en betaling van de eindafrekening.
Oordeel
In dit geval is er sprake van een zogenoemd slapend dienstverband. Niet gebleken is dat VERM een redelijk belang heeft bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad moet VERM daarom als goed werkgever meewerken aan een einde van dat slapende dienstverband en daarbij aan werknemer een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding te betalen. Alhoewel werknemer hier meerdere keren om heeft gevraagd, heeft VERM hieraan geen medewerking verleend. Het verzoek van werknemer zal door de kantonrechter worden toegewezen en de arbeidsovereenkomst zal met ingang van de uitspraak worden ontbonden. VERM moet een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding betaling. Dit is een schadevergoeding, omdat VERM zich niet als een goed werkgever heeft gedragen door te weigeren mee te werken aan de beëindiging van het slapende dienstverband. Voor de berekening van de vergoeding wordt het dienstverband fictief bekort tot het moment waarop de bevoegdheid tot opzegging is ontstaan. Werknemer verzoekt ook betaling van 160 opgebouwde uren, die volgens hem zijn opgebouwd na 9 oktober 2024. Artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt weliswaar dat alleen vakantiedagen worden opgebouwd over de periode waarin een werknemer recht heeft op loon, dus in dit geval tot 9 oktober 2024, maar deze bepaling moet buiten beschouwing worden gelaten, aldus werknemer. Hij betoogt dat dit wetsartikel in strijd is met Europese regelgeving. De kantonrechter is bekend met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU over vakantierechten. In de uitspraak van 15 juli 20255 onderkent het HvJ EU echter dat er specifieke omstandigheden kunnen zijn die een afwijking van het fundamentele recht op (jaarlijks betaald) verlof rechtvaardigen. De kantonrechter is van oordeel dat van zulke omstandigheden sprake is in geval van een slapend dienstverband naar Nederlands recht, om de volgende redenen. (1) Kenmerkend voor een slapend dienstverband is dat de kernverbintenissen van de arbeidsovereenkomst, te weten het verrichten van arbeid en het betalen van loon, niet meer kunnen en hoeven te worden nageleefd. De wetgever heeft er echter niet voor gekozen om de overeenkomst in zo’n geval van rechtswege te beëindigen, terwijl de overeenkomst in feite inhoudsloos is geworden. Na afloop van de 104 weken waarin loon is doorbetaald en de werknemer volledige vakantiedagen heeft opgebouwd, heeft de werknemer dus geen re-integratieverplichtingen meer. Daarmee verliest de recuperatiefunctie van de jaarlijkse vakantie zijn doel. Vakantiedagen zijn immers bedoeld om werknemers in staat te stellen om uit te rusten en te herstellen van werk en weer op krachten te komen. De werknemer met een slapend dienstverband heeft geen werk om van te herstellen. (2) Dat het vakantieloon bedoeld is om werknemers tijdens hun vakantie in een economisch vergelijkbare positie te brengen, zoals het HvJ EU herhaaldelijk heeft geoordeeld, speelt evenmin bij een slapend dienstverband. Een zieke werknemer die niet in staat is te werken zal na 104 weken als uitgangspunt recht hebben op een uitkering en uit hoofde van die uitkering recht hebben op betaalde vakantie. Dit geldt ook voor werknemer. Hij ontvangt immers vanaf 9 oktober 2024 een IVA uitkering. Gelet op dit alles kan niet worden gezegd dat artikel 7:634 lid 1 BW strijdig is met artikel 31 lid 2 EU-Handvest. Dat betekent dat werknemer na 9 oktober 2024 geen vakantie-uren meer heeft opgebouwd, zodat hij ook geen recht heeft op uitbetaling.
