Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 3 februari 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:884
Feiten
Werkneemster was vanaf 8 juni 2009 in dienst bij InHolland eerst als onderwijsassistente, daarna een periode als docente, en vanaf 1 februari 2021 als studentdecaan. Haar laatstelijk verdiende salaris bedroeg € 5.345,92 bruto per maand. Werkneemster heeft zich per 17 mei 2023 ziekgemeld. Bij brief van 29 maart 2024 heeft de advocaat van werkneemster aan InHolland bericht dat van werkneemster niet langer kan worden gevergd dat het dienstverband in stand blijft en om financiële compensatie verzocht. Bij brief van 8 mei 2024 heeft InHolland hierop gereageerd. Daarin staat onder meer dat InHolland geen aanleiding ziet om een beëindigingsvoorstel te formuleren omdat werkneemster nog volledig arbeidsongeschikt is. Werkneemster heeft de kantonrechter – na vermeerdering van haar verzoek – verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens ernstig verwijtbaar handelen van InHolland, onder toekenning van een transitievergoeding van € 30.816,32 bruto, een billijke vergoeding van € 180.902,08 bruto, een immateriële vergoeding van € 10.000 netto en betaling van de nettoadvocatenkosten van € 10.789,28, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van InHolland in de proceskosten. InHolland heeft zich niet verzet tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar wel tegen toekenning van enige vergoeding aan werkneemster, omdat geen sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen van InHolland. Voor het geval werkneemster het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou intrekken, heeft InHolland bij voorwaardelijk tegenverzoek de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie als bedoeld in artikel 6:669 lid 3 aanhef en sub g BW, zonder toekenning van enige vergoeding aan werkneemster en met veroordeling van werkneemster in de proceskosten. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden per 23 november 2024 onder toewijzing van de transitievergoeding van € 30.816,32 bruto, met afwijzing van de overige verzoeken van werkneemster en met compensatie van de proceskosten.
Werkneemster stelt in hoger beroep dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld zodat haar alsnog een billijke vergoeding toekomt. Samengevat gaat het daarbij volgens werkneemster om het volgende: (a) het consistent overbelasten van werkneemster in haar dagelijkse werkzaamheden en het geen gehoor geven aan de duidelijke signalen hierover door werkneemster in alle gevoerde gesprekken en in haar e-mails; (b) het onderwerpen van werkneemster aan kruisverhoren door de leidinggevenden X en Y en het niet toepassen van hoor- en wederhoor en het opvoeren van de druk bij de gevoerde gesprekken; (c) het in strijd handelen met de Integriteitscode van InHolland; (d) het zonder redelijk grond overplaatsen van werkneemster naar een andere locatie en het opleggen van een verbetertraject.
InHolland is van oordeel dat werkneemster geen transitievergoeding toekomt, omdat het een werknemersverzoek betreft en niet is komen vast te staan dat InHolland ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Geen ernstig verwijtbaar handelen werkgever
Niet kan worden geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door InHolland. De door InHolland genomen maatregelen na moeizame samenwerking tussen werkneemster en teamgenoten zijn niet als verwijtbaar te kwalificeren. Het doen van een melding bij een vertrouwenspersoon is strikt vertrouwelijk en het getuigt niet van goed werkgeverschap dat een leidinggevende, zeker niet in een teamoverleg, een werknemer aanspreekt op het doen van een dergelijke melding. Naar het oordeel van het hof haalt dit weliswaar verwijtbare handelen echter niet de hoge lat van ernstige verwijtbaarheid. Nog daargelaten dat in onvoldoende mate is gebleken dat dit optreden aanleiding was voor werkneemster om – ruim een jaar later – de kantonrechter te verzoeken het dienstverband te beëindigen.
Artikel 7:683 lid 2 BW verzet zich niet tegen verzoek tot terugbetaling transitievergoeding door werkgever
Werkneemster heeft als verweer gevoerd dat het bepaalde in artikel 7:683 lid 2 BW eraan in de weg staat dat in hoger beroep de transitievergoeding onderwerp is van geschil. Het hof volgt werkneemster niet in deze uitleg van voornoemde wetsbepaling en overweegt daartoe het volgende. Op grond van artikel 7:671c lid 1 BW kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Op grond van artikel 7:671c lid 2 BW kan de kantonrechter, als hij dit verzoek toewijst, aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Vervolgens bevat artikel 7:683 BW een aantal bijzondere bepalingen over het hoger beroep (en beroep in cassatie) in de daarin genoemde specifieke gevallen, in aanvulling op en/of in afwijking van het normale burgerlijke procesrecht. In artikel 7:683 lid 2 BW is bepaald dat hoger beroep tegen een op verzoek van de werknemer toegewezen ontbinding uitsluitend betrekking kan hebben op de vergoeding, bedoeld in artikel 671c, lid 2 of lid 3. Uit de memorie van toelichting bij deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3) blijkt dat de strekking van artikel 7:683 lid 2 BW is dat als de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer wordt ontbonden, deze ontbinding vastligt en de werkgever dus niet in hoger beroep om herstel van de arbeidsovereenkomst kan verzoeken. De werknemer wenste immers het einde van de arbeidsovereenkomst en kan niet gedwongen worden weer bij de werkgever aan de slag te gaan. Dit zou immers op gespannen voet staan met het fundamentele recht op vrijheid van arbeidskeuze. In de genoemde memorie van toelichting is daarover het volgende vermeld: “Tot slot wordt geregeld dat hoger beroep en cassatie tegen een op verzoek van de werknemer toegewezen ontbinding uitsluitend betrekking kunnen hebben op de daarbij eventueel door de rechter in eerste aanleg toegekende billijke vergoeding. In dat geval kan de arbeidsovereenkomst dus niet worden hersteld.” (p. 35) en: In het tweede lid wordt voorgesteld om hoger beroep en cassatie tegen een op verzoek van de werknemer toegewezen ontbinding slechts mogelijk te maken ten aanzien van (de hoogte van) de in dat kader toegekende vergoeding; herstel zal in die situatie immers niet door de werknemer worden verlangd en doorgaans evenmin door de werkgever.” (p. 119).
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de in artikel 7:683 lid 2 BW opgenomen bijzondere regeling alleen betrekking heeft op beslissingen gegrond op artikel 7:671c BW, dus de ontbinding en de eventueel daarbij op grond van dit artikel gebaseerde billijke vergoeding. Artikel 7:683 lid 2 BW heeft dus geen betrekking op alle overige beslissingen, die op grond van andere wetsartikelen in dezelfde procedure tussen de werknemer en de werkgever kunnen worden genomen. Daaronder valt ook de transitievergoeding, die is geregeld in artikel 7:673 BW. Hoger beroep tegen dergelijke beslissingen is volgens de normale regels van het burgerlijk procesrecht, zoals opgenomen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wel mogelijk.
Conclusie
Het hof concludeert dat de kantonrechter de transitievergoeding op onjuiste gronden heeft toegekend en de bestreden beschikking in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Dit betekent ook dat het verzoek van InHolland in incidenteel hoger beroep om werkneemster te veroordelen tot terugbetaling van de transitievergoeding aan InHolland - het hof begrijpt: op grond van onverschuldigde betaling - voor toewijzing gereedligt, tenzij er gronden zijn die zich daartegen verzetten.
