Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 24 augustus 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:6011
Feiten
Werknemer is per 4 augustus 2020 in dienst getreden bij Shizen B.V. (hierna: Shizen) in de functie van kok. Partijen hebben meermaals arbeidsovereenkomsten gesloten en zijn weer uit elkaar gegaan. Werknemer is na maart 2026 naar China gereisd en heeft daar op 8 mei 2026 een auto-ongeluk gehad. Hij heeft zich op 10 mei 2026 ziekgemeld bij Shizen. In de periode vanaf 1 april 2026 tot en met de datum van de mondelinge behandeling heeft werknemer geen loon ontvangen van Shizen. Evenmin is werknemer opgeroepen door de bedrijfsarts. Werknemer vordert, onder meer, loon.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De dagvaarding is niet aan Shizen betekend. De gemachtigde van Shizen heeft aan de gemachtigde van werknemer bij e-mail van 13 juli 2026 kenbaar gemaakt dat Shizen vrijwillig zal verschijnen. Shizen heeft een conclusie van antwoord ingediend en (de vertegenwoordigers van) Shizen waren ter zitting aanwezig. Het gegeven dat de dagvaarding niet betekend is, heeft Shizen dus niet in haar belangen geschaad. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat werknemer ontvankelijk is in zijn vordering. Werknemer heeft gesteld dat hij het salaris nodig heeft om aan zijn financiële verplichtingen te kunnen voldoen, waardoor gelet op de aard van de vorderingen naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake is van een spoedeisend belang. Dat werknemer op 20 maart 2026 ‘ontslag nam’, was niet meer en niet minder dan de aankondiging dat hij op vakantie ging, zoals gebruikelijk tussen partijen. In die context moeten ook de verklaringen van de werknemers van Shizen worden gelezen. In de gegeven omstandigheden moet het voor Shizen zonder meer duidelijk zijn geweest dat werknemer met zijn mededeling op 20 maart 2026 niet bedoelde zijn arbeidsrelatie met Shizen te beëindigen. Zijn mededeling kan gelet op de wilsvertrouwensleer niet worden aangemerkt als een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring die erop gericht is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Hij heeft immers ook aan Shizen te kennen gegeven dat hij er 14 mei 2026 weer zou zijn. Dat is niet iets wat een werknemer meldt aan een werkgever waarvan hij beoogt definitief afscheid te nemen. Er bestond kortom geen overstemming tussen zijn wil en zijn verklaring. Werknemer wist niet beter dan dat dit de gebruikelijke werkwijze was op het moment dat hij op vakantie ging. Zoals hij ook tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard wilde hij zich na zijn vakantie weer zoals te doen gebruikelijk bij Shizen melden om verder te werken. Niet is gebleken dat Shizen enig onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van de door werknemer gedane opzegging, zodat zij haar onderzoeksplicht heeft geschonden. Het later tussen partijen gevoerde gesprek, waarover partijen wisselend verklaren, is voor de beoordeling voor de wil en verklaring van werknemer op 20 maart 2026 niet relevant en blijft verder onbesproken. Gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden is niet aannemelijk dat werknemer de arbeidsovereenkomst op 20 maart 2026 tegen 29 maart 2026 heeft opgezegd. Op grond van de cao is voor loondoorbetaling op basis van 95% bij arbeidsongeschiktheid vereist dat de werknemer voldoet aan re-integratieverplichtingen. Shizen stelt zich op het standpunt dat werknemer niet aan deze voorwaarden heeft voldaan. De voorzieningenrechter passeert dit verweer. Werknemer heeft niet aan enige re-integratieverplichting kunnen voldoen omdat hij nooit door Shizen is aangemeld bij enige bedrijfsarts, zodat de re-integratie nooit is gestart. Dit kan naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter niet aan werknemer worden tegengeworpen. De vordering om Shizen te veroordelen tot betaling van het maandloon – op basis van 95% - vanaf 1 april 2026 wordt toegewezen. Dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk. Tegen die achtergrond, en gelet op de omstandigheid dat werknemer als werknemer in verhouding tot Shizen in een afhankelijke positie verkeert en de gevorderde bedragen nodig zijn voor zijn levensonderhoud, weegt het bestaan van een eventueel restitutierisico niet zo zwaar dat dat tot afwijzing van de vordering zou moeten leiden. Shizen wordt in de proceskosten veroordeeld.
