Rechtspraak
Feiten
Werknemer is sinds 1 februari 2023 bij werkgeefster in dienst als operator in ploegendienst. Op 20 oktober 2024 meldt hij zich ziek wegens burn-outklachten en start met een re-integratietraject. De bedrijfsarts oordeelt dat ploegendiensten voor werknemer niet meer haalbaar zijn en terugkeer in zijn eigen functie niet mogelijk is. Tijdens de re-integratie ontstaan spanningen in de arbeidsrelatie, waarna spoor 1 uiteindelijk op medische gronden wordt afgesloten en de re-integratie volledig op spoor 2 wordt gericht. De arbeidsovereenkomst bepaalt dat werkgeefster het loon tijdens ziekte kan verlagen tot 70%. In het tweede ziektejaar betaalt werkgeefster echter 80% van het loon inclusief ploegentoeslag en zegt zij uit coulance toe dit tot het einde van dat ziektejaar te blijven doen. Werknemer stelt dat er sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsconflict en dat het niet werken daarom volledig voor rekening van werkgeefster moet komen. Hij vordert primair 100% loondoorbetaling en subsidiair 80%. Daarnaast vordert hij onder meer aanpassing van zijn re-integratiedossier, betaling van een bonus en overige looncomponenten en een verklaring voor recht dat werkgeefster in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld. Werkgeefster betwist dat er sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid en voert aan dat bij de overige vorderingen een spoedeisend belang of deugdelijke rechtsgrond ontbreekt.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen tot loondoorbetaling tijdens ziekte, maar niet bij zijn overige vorderingen. De arbeidsovereenkomst bepaalt dat werkgeefster het loon tijdens ziekte kan verlagen tot 70%, terwijl zij heeft toegezegd gedurende het gehele tweede ziektejaar 80% inclusief ploegentoeslag te betalen. Voor 100% loondoorbetaling bestaat geen grondslag. Het beroep op situatieve arbeidsongeschiktheid slaagt niet. Hoewel de re-integratie mede wordt bemoeilijkt door de belaste arbeidsrelatie, blijkt uit de rapportages van de bedrijfsarts dat werknemer wegens medische beperkingen arbeidsongeschikt is en blijft. De loondoorbetalingsverplichting wordt daarom beheerst door artikel 7:629 BW en niet door artikel 7:628 BW. De vordering tot 100% loondoorbetaling wordt afgewezen. Bij de subsidiair gevorderde 80% heeft werknemer geen belang, omdat werkgeefster dit percentage al betaalt en heeft toegezegd dit tot het einde van het tweede ziektejaar te blijven doen. De overige vorderingen worden afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Werknemer heeft bovendien onvoldoende onderbouwd wat aan het re-integratiedossier moet worden aangepast, een recht op de bonus is onvoldoende aannemelijk en niet is gebleken van onbetaalde looncomponenten. Ook de wettelijke verhoging en rente zijn onvoldoende onderbouwd. De gevorderde verklaring voor recht kan niet in kort geding worden toegewezen. Omdat hoofdzakelijk sprake is van een loonvordering tijdens ziekte en er geen sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, draagt iedere partij de eigen proceskosten.
