Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkgeefster heeft succesvol bewezen dat werknemer de vechtpartij tussen hen is begonnen. Het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geweest, kan geen standhouden.

Feiten

Werknemer is op 1 januari 2024 in dienst getreden bij werkgeefster als verkoopmedewerker. Werkgeefster exploiteert een ijssalon. Werknemer is samen met zijn ouders mede-eigenaar geweest van de ijssalon. Hoewel de ijssalon is verkocht, is werknemer samen met zijn ouders nog altijd mede-eigenaar van een boven de ijssalon gelegen apppartement. Er is afgesproken dat twee werknemers van de ijssalon tegen een vergoeding in het appartement mochten wonen. Op 23 juni 2024 is een gesprek ontstaan over de huur voor het appartement tussen een vennoot en de ouders van werknemer. Werknemer is hierbij aangeschoven. Na het gesprek is werknemer naar het appartement gegaan om de sloten te vervangen. Vervolgens is de vennoot samen met een van de bewoners van het appartement naar het appartement gekomen. Partijen zijn met elkaar in gevecht geraakt. Werknemer heeft aangifte gedaan van mishandeling. De vennoot en de bewoner zijn door de politie aangehouden. De zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Werknemer is op 26 juni 2024 op staande voet ontslagen vanwege verbaal en fysiek geweld, eerst in de ijssalon en vervolgens in het appartement. Werknemer berust in het gegeven ontslag op staande voet maar verzoekt een billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de gestelde dringende reden niet voldoende aannemelijk is geworden. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven en de kantonrechter heeft een billijke vergoeding van € 4.000 toegekend. De gefixeerde schadevergoeding is niet toegewezen, omdat de vervaltermijn inmiddels gepasseerd was. Werkgeefster is tekortgeschoten door werknemer op staande voet te ontslaan, waardoor een deel van de advocaatkosten in redelijkheid is gemaakt en vergoeding daarvan wordt toegewezen (zie AR 2024-1288). Werkgeefster heeft vervolgens beroep ingesteld tegen de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet en haar veroordeling tot betaling van de advocaatkosten. Werknemer heeft in incidenteel beroep wederom om een billijke vergoeding verzocht. In de tussenuitspraak van 25 november 2025 heeft het hof werkgeefster een bewijsopdracht gegeven met betrekking tot de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten (zie AR 2025-1527). Als gevolg hiervan hebben getuigenverhoren plaatsgevonden.

Oordeel

Het hof oordeelt in deze eindbeschikking als volgt. Uit de verschillende verklaringen kan worden aangenomen dat, te midden van klanten, in de ijssalon een discussie is gevoerd tussen werkgeefster en werknemer en dat deze gaandeweg verhit is geraakt. Dat werknemer werkgeefster (toen al) fysiek te lijf wilde gaan, is echter niet bewezen. Wat wel vaststaat, is dat tussen partijen in het appartement is gevochten. Beoordeeld moet worden of het bewijs is geleverd dat, zoals werkgeefster heeft gesteld, werknemer met de vechtpartij begon. In dat kader hebben werkgeefster en de bewoner van het appartement verklaard dat werknemer al in het appartement was voordat zij daar aankwamen. Werknemer wilde een vuistslag geven aan de bewoner, maar werkgeefster voorkwam dat. Toen ontstond er een gevecht tussen hen drieën. Op een gegeven moment ging werknemer, volgens werkgeefster en de bewoner, naar de keuken om daar uit een lade een keukenmes te pakken. Werkgeefster heeft dat mes gezien; de bewoner niet. Hij heeft niet gewacht om te kijken, maar heeft wel het geluid gehoord van het snijgedeelte van een mes (een messenslijper was niet in het appartement aanwezig). Werkgeefster en de bewoner zijn toen naar buiten gerend en hebben de politie gebeld. Volgens werknemer is werkgeefster begonnen met klappen uitdelen. Volgens werknemer liep hij naar de keuken om iets te pakken om zichzelf te verdedigen (namelijk een messenslijper). Hij heeft hen geen van beiden aangevallen. Het hof oordeelt uiteindelijk dat werkgeefster en de bewoner op de wezenlijke punten in deze zaak op het hof een betrouwbare en overtuigende indruk hebben gemaakt, en hun verklaringen elkaar aanvullen en versterken. Bij de waardering van de verklaring van de bewoner weegt nog mee dat van hem (ook) een schriftelijke verklaring voorhanden is. Werknemer heeft hiertegen nog verklaard dat hij een geluidsopname van de bewoner heeft waaruit zou blijken dat werkgeefster was begonnen met de vechtpartij, maar voor het hof is onduidelijk waarom werknemer deze geluidsopname niet in het geding heeft gebracht. Het hof trekt hieruit de conclusie dat de uitlatingen van werknemer over de geluidsopname niet waar zijn. Werknemer heeft er ook nog op gewezen dat het werkgeefster en de bewoner zijn geweest die zijn aangehouden door de politie en niet hij. Welke omstandigheden de politie er op dat moment toe hebben gebracht werkgeefster en de bewoner als verdachten aan te houden en niet werknemer, is echter niet bekend en leidt dan ook niet tot een andere conclusie. Tot slot heeft werknemer nog aangevoerd dat werkgeefster en werknemer de mogelijkheid hebben gehad hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Ook hier bestaan geen goede gronden voor. In dat kader is nog van belang dat de moeder van werknemer heeft verklaard dat werkgeefster ergens anders stond dan de bewoner bij hun arrestatie. Alles overziende, acht het hof werkgeefster op grond van de voorgaande overwegingen geslaagd in het bewijs ten aanzien van de gebeurtenissen in het appartement. Dat betekent dat het hof, anders dan de kantonrechter, het bewijs van de dringende reden die aan het ontslag ten grondslag is gelegd in zoverre geleverd oordeelt. De ernst van het handelen van werknemer in het appartement tegenover zowel werkgeefster als de bewoner rechtvaardigt het gegeven ontslag op staande voet. Het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geweest, kan daarom geen stand houden. Dit betekent dat ook het door de kantonrechter toegewezen verzoek tot betaling van een billijke vergoeding met wettelijke rente alsnog moet worden afgewezen. Het verzoek van werkgeefster om een gefixeerde schadevergoeding van € 2.818,80 netto met wettelijke rente zal alsnog worden toegewezen.