Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 25 november 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:2411
Feiten
Werknemer is op 1 januari 2024 in dienst getreden bij werkgeefster als verkoopmedewerker. Werkgeefster exploiteert een ijssalon. Werknemer is samen met zijn ouders mede-eigenaar geweest van de ijssalon. Hoewel de ijssalon is verkocht, is werknemer samen met zijn ouders nog altijd mede-eigenaar van een boven de ijssalon gelegen apppartement. Er is afgesproken dat twee werknemers van de ijssalon tegen een vergoeding in het appartement zouden wonen. Op 23 juni 2024 is een gesprek ontstaan over de huur voor het appartement tussen een vennoot en de ouders van werknemer. Werknemer is hierbij aangeschoven. Na het gesprek is werknemer naar het appartement gegaan om de sloten te vervangen. Vervolgens is de vennoot samen met een van de bewoners van het appartement naar het appartement gekomen. Partijen zijn met elkaar in gevecht geraakt. Werknemer heeft aangifte gedaan van mishandeling. De vennoot en de bewoner zijn door de politie aangehouden. De zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Werknemer is op 26 juni 2024 op staande voet ontslagen vanwege verbaal en fysiek geweld, eerst in de ijssalon en vervolgens in het appartement. Werknemer berust in het gegeven ontslag op staande voet maar verzoekt een billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de gestelde dringende reden niet voldoende aannemelijk is geworden. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven en de kantonrechter heeft een billijke vergoeding van € 4.000 toegekend. De gefixeerde schadevergoeding is niet toegewezen, omdat de vervaltermijn inmiddels gepasseerd was. Werkgeefster is tekortgeschoten door werknemer op staande voet te ontslaan, waardoor een deel van de advocaatkosten in redelijkheid is gemaakt en vergoeding daarvan wordt toegewezen. Werkgeefster heeft beroep ingesteld tegen de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet en haar veroordeling tot betaling van de advocaatkosten. Werknemer heeft in incidenteel beroep om een billijke vergoeding verzocht.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Omdat de verklaringen van partijen over de gebeurtenissen die dag lijnrecht tegenover elkaar staan, is niet duidelijk vast te stellen wie het gelijk aan zijn zijde heeft. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg leidt het hof af dat enkel werknemer en werkgeefster als ter zitting aanwezige partijen bij de kantonrechter een verklaring hebben afgelegd. Een en ander betekent dat de kantonrechter in strijd met de wettelijke bewijsregels is voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van werkgeefster. Voor zover wordt geklaagd dat de kantonrechter werkgeefster in de gelegenheid had moeten stellen nader bewijs te leveren, is deze grief gegrond. Het hof zal alsnog doen wat de kantonrechter had behoren te doen en werkgeefster toelaten tot het bewijs van de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden. Anders dan de kantonrechter ziet het hof in de stellingen van werknemer niet voldoende aanknopingspunten om een deel van de gedeclareerde werkzaamheden aan te merken als andere verrichtingen dan die waarvoor de in de artikelen 237 t/m 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De uren waarop de kantonrechter kennelijk het oog heeft gehad, betreffen uren voor bespreking en correspondentie. Ook voor die werkzaamheden geldt dat deze behoren tot de zojuist bedoelde verrichtingen. Werkgeefster krijgt een bewijsopdracht, iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
