Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 20 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:14521
Feiten
Werknemer is op 1 februari 2018 in dienst getreden bij het RIVM in de functie van adviseur bedrijfsvoering/projectcontroller voor 36 uur per week. De maandag was zijn roostervrije dag. Per 1 juni 2023 is werknemer op eigen verzoek overgestapt naar Rijkswaterstaat (hierna: RWS). Daar was hij werkzaam als senior financieel expert projectbeheersing. Om zijn vertrek bij het RIVM aan te kondigen stuurde hij aan 19 collega’s een e-mail waarin hij zijn vertrek toelichtte en ook misstanden binnen het RIVM benoemt. Bij voornoemde e-mail heeft werknemer twee e-mails bijgevoegd; één van een collega en één van de bedrijfsarts betreffende die collega. In die e-mails komt onder meer terug dat de collega suïcidale gedachten heeft als gevolg van het handelen van haar leidinggevende. Op 14 april 2023 is werknemer geschorst in afwachting van de uitkomst van een door het RIVM ingesteld onderzoek in verband met het versturen van de e-mail met vertrouwelijke informatie over een collega. In het onderzoeksrapport van 11 mei 2023 is geconcludeerd dat niet kan worden aangetoond dat werknemer expliciete toestemming had gekregen de betreffende medische informatie verder te verspreiden. Het RIVM kondigde daarop een disciplinaire maatregel aan wegens schending van de Gedragscode Integriteit Rijk. Nadat de betrokken collega alsnog had verklaard toestemming te hebben gegeven om misstanden te melden, trok het RIVM het voornemen tot een schriftelijke berisping in en volstond zij op 18 juli 2023 met een schriftelijke waarschuwing. Werknemer meldde zich op 17 juli 2023 ziek. In juni 2024 is aangekondigd dat op grond van de cao Rijk het salaris na 52 weken arbeidsongeschiktheid wordt verlaagd naar 70%. Werknemer is het daarmee niet eens en stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een beroepsziekte in de zin van artikel 8 cao Rijk. Een medisch adviseur, ingeschakeld door partijen, concludeert dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een door het werk veroorzaakte aandoening. Werknemer heeft een tweede medisch adviesbureau ingeschakeld voor een second opinion. Die medisch specialist concludeert dat het zeer aannemelijk is dat er sprake is van een causaal verband tussen de schending van de zorgplicht door werkgever met betrekking tot psychosociale arbeidsbelasting en de gevolgen voor cliënt, waaronder PTSS, aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve kenmerken, suïcidale gedachten en een suïcidepoging. Werknemer verzoekt onder meer een verklaring voor recht dat de Staat ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Ook verzoekt hij een verklaring voor recht dat er sprake is van een beroepsziekte als bedoeld in artikel 8 cao Rijk. Als zelfstandig tegenverzoek verzoekt RWS de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding onder toekenning van de transitievergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Geen ernstig verwijtbaar handelen Staat
Het gaat in deze zaak om de vraag of de Staat ernstig verwijtbaar heeft gehandeld tegenover werknemer. Werknemer stelt in de eerste plaats dat er sprake is van een onveilige werkomgeving bij het RIVM waaraan hij is blootgesteld en wat heeft bijgedragen aan zijn arbeidsongeschiktheid. Werknemer was lid van de OR en heeft aldaar vaak meldingen ontvangen van medewerkers over onveilige werksituaties. Hoewel de kantonrechter zich kan voorstellen dat het veel impact op werknemer moet hebben gehad dat een collega zich tot hem heeft gewend met suïcidale gedachten, is niet gebleken dat werknemer zelf te maken heeft gehad met onveilige situaties binnen het RIVM. Werknemer verwijst naar een drietal onderzoeksrapporten, maar dit betreffen naar het oordeel van de kantonrechter algemene rapporten, waaruit niet volgt dat en/of op welke wijze werknemer zelf met onveilige werksituaties te kampen heeft gehad. Verder stelt werknemer dat er sprake was van een hoge werkdruk waardoor hij structureel heeft gewerkt op zijn roostervrije maandag. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat werknemer op zijn roostervrije maandagen heeft gewerkt. Dit leidt echterl niet tot het oordeel dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de Staat. Uit de overgelegde e-mails blijkt immers onvoldoende dat de werkdruk voor werknemer dusdanig hoog was dat dit invloed had op zijn welbevinden. Ook is niet gebleken dat het RIVM druk op werknemer heeft uitgeoefend om de werkzaamheden koste wat kost af te ronden. De kantonrechter volgt werknemer voorts niet in zijn stellingen dat de schorsing en berisping van het RIVM onterecht waren en het integriteitsonderzoek ontoereikend, onzorgvuldig en onrechtmatig was. Vast staat dat werknemer een e-mail heeft rondgestuurd met vertrouwelijke privacygevoelige medische informatie over een collega. Begrijpelijk is dat het RIVM daar onderzoek naar wilde doen. Anders dan werknemer stelt, is verder niet gebleken dat RWS haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Dit oordeel vindt tevens steun in de WIA-beoordeling van werknemer. De kantonrechter oordeelt ten slotte dat van een beroepsziekte in de zin van artikel 8 cao Rijk geen sprake is. RWS heeft een medisch adviseur ingeschakeld en diens advies opgevolgd. Het oordeel van de tweede medisch adviseur is niet van enige onderbouwing voorzien. Niet duidelijk wordt om wélke buitensporige werkomstandigheden het zou gaan en wat er dan zou zijn gebeurd. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet is gebleken dat de arbeidsongeschiktheid van werknemer het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de Staat. Afwijzing van de verzoeken van werknemer volgt.
Ontbinding arbeidsovereenkomst
Werknemer verzet zich niet tegen ontbinding van de arbeidsovereenkomst en erkent dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord. Het ontbindingsverzoek wordt toegewezen met toekenning van de transitievergoeding. Er is geen grond voor toekenning van een billijke vergoeding of (im)materiële schadevergoeding.
