Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 30 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:10460
Feiten
Werkneemster werkte van 16 juni 2016 tot 1 november 2019 en opnieuw van 1 november 2020 tot 1 juli 2025 bij de Spaanse afdeling voor Economie en Handel in Den Haag (ECO NL). In haar arbeidsovereenkomst voor het tweede dienstverband was een brutojaarsalaris van € 38.854 overeengekomen, uit te betalen in dertien termijnen en omschreven als een vergoeding ‘voor alle concepten’, inclusief ‘pagas extraordinarias’. Voorafgaand aan het dienstverband ontving zij een document met aanstellingsvoorwaarden waarin eveneens werd verwezen naar een brutojaarbeloning inclusief bijzondere betalingen en/of lokale componenten. Op haar loonstroken werd echter geen vakantiebijslag afzonderlijk vermeld. Binnen ECO NL bestond al langer discussie over het ontbreken van vakantiebijslag. De leidinggevende van werkneemster schreef in september 2020 aan HR dat de medewerkers van ECO NL geen vakantiebijslag ontvingen en dat dit tot zorg leidde. In mei 2022 hebben werkneemster en collega’s de Spaanse staat erop gewezen dat vakantiebijslag geen onderdeel uitmaakte van het brutosalaris en om naleving van de Nederlandse wet verzocht. Nadien hebben de voormalige en huidige gemachtigden van werkneemster de aanspraak herhaald. Ook uit interne communicatie in februari 2025 bleek dat bij vergelijkbare medewerkers vakantiebijslag alsnog zou worden verwerkt en dat werd verwacht dat ECO NL hetzelfde zou doen. In augustus 2025 heeft de Spaanse staat nog € 1.601,59 bruto aan salaris nabetaald. Werkneemster vordert onder meer betaling van achterstallige vakantiebijslag over beide dienstverbanden, in totaal € 23.857,63 bruto. Zij stelt dat zij op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag recht had op 8% vakantiebijslag en dat deze nooit afzonderlijk was betaald of gespecificeerd. Primair beriep zij zich op schending van de wettelijke informatieplicht, subsidiair op nakoming. De Spaanse staat voert aan dat het overeengekomen loon volledig was betaald en dat de vakantiebijslag daarin al was verdisconteerd. Voor zover toch afzonderlijk vakantiebijslag verschuldigd zou zijn, stelt de Spaanse staat dat de aanspraak over het eerste dienstverband was verjaard en dat werkneemster te laat had geklaagd.
Oordeel
De vordering kon niet worden toegewezen op grond van de informatieplicht van artikel 7:655 BW. Het gestelde nadeel — het niet ontvangen van vakantiebijslag — vloeide volgens de kantonrechter niet voort uit gebrekkige informatie, maar uit het uitblijven van betaling. Ook uit de arbeidsovereenkomst zelf volgde geen afzonderlijke contractuele verplichting tot betaling van vakantiebijslag. De kantonrechter beoordeelde de vordering vervolgens als een beroep op de WML. Op grond daarvan heeft een werknemer recht op ten minste 8% vakantiebijslag, uit te betalen in juni, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen. Volgens de kantonrechter had de Spaanse staat onvoldoende onderbouwd dat partijen waren overeengekomen dat de vakantiebijslag in het loon was inbegrepen en maandelijks werd uitbetaald. De algemene formulering ‘por todos los conceptos’ was daarvoor te onduidelijk, terwijl ‘pagas extraordinarias’ in de Spaanse context eerder zag op een dertiende en veertiende maand dan op Nederlandse vakantiebijslag. Ook de loonstroken specificeerden geen vakantiebijslag en uit interne communicatie bleek juist dat ECO NL ervan uitging dat geen vakantiebijslag werd betaald. Wel slaagde het beroep op verjaring voor het eerste dienstverband. De aanspraak over de periode van 16 juni 2016 tot 1 november 2019 werd opeisbaar bij het einde van dat dienstverband en was op 1 november 2024 verjaard. De brieven waarop werkneemster zich beriep, hadden de verjaring niet tijdig en voldoende duidelijk gestuit voor die periode. Het beroep op de klachtplicht faalde: vanaf in elk geval mei 2022 was voor de Spaanse staat duidelijk dat medewerkers aanspraak maakten op vakantiebijslag, en niet bleek dat de Spaanse staat door het tijdstip van klagen daadwerkelijk in zijn belangen was geschaad. De Spaanse staat werd daarom veroordeeld tot betaling van vakantiebijslag over het tweede dienstverband, van 1 november 2020 tot 1 juli 2025, en over de nabetaling van augustus 2025. Het toe te wijzen bedrag bedroeg € 14.129,08 bruto.
