Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 16 april 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:2341
Werknemer is er niet in geslaagd te bewijzen dat hij daadwerkelijk ziek was. Ontslag op staande voet wegens werkweigering rechtsgeldig gegeven.

Feiten

Werknemer is in dienst van werkgever. Op 25 oktober 2025 heeft werknemer zich ziek gemeld. Deze ziekmelding is door werkgever niet geaccepteerd en werknemer is op staande voet ontslagen. Werkgever heeft aan het ontslag ten grondslag gelegd dat werknemer, anders dan hij heeft gemeld, op 25 oktober 2025 in werkelijkheid niet ziek was. Werknemer stelt dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen. In de tussenuitspraak heeft de kantonrechter het volgende overwogen. Vast staat dat werknemer zaterdagochtend 25 oktober 2025 in ieder geval tot 4.00 uur in het café van werkgever aanwezig was en dat hij vele alcoholische consumpties heeft gedronken, terwijl hij wist dat hij de volgende dag in datzelfde café moest werken. Werknemer heeft dit op zitting erkend en dit volgt ook uit de verklaringen van collega’s die werkgever in het geding heeft gebracht. Volgens de verklaringen van collega’s was werknemer tot minimaal 4.30 uur in het café, was hij stomdronken en heeft hij tegen collega’s gezegd dat hij na zijn vertrek uit het café niet naar huis was gegaan, maar nog was gaan ‘afteren’ op een ander feest. Werknemer betwist dat hij nog is gaan ‘afteren’, maar erkent dat hij mogelijk een glaasje te veel op had. Vervolgens heeft hij zich diezelfde dag om 11.22 uur ziekgemeld. Onder die omstandigheden is het begrijpelijk en ook gerechtvaardigd dat werkgever de ziekmelding van werknemer wantrouwt en bestaat er aanleiding werknemer te belasten met het bewijs van zijn stelling dat hij ziek was op zaterdag 25 oktober 2025. Werknemer heeft twee Whatsappgesprekken en een verklaring overgelegd.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer stelt dat hij ziek was en koorts had, maar uit de Whatsappcorrespondentie met A volgt enkel dat hij misselijk was. Over de achterliggende oorzaak van de misselijkheid heeft werknemer niets gesteld. Dat had hij wel moeten doen om enig aanknopingspunt te bieden voor het aannemen van een toestand van ziekte. Daarbij heeft werkgever ook nog eens terecht opgemerkt dat misselijkheid geen symptoom is van griep – een luchtweginfectie – maar wel van een kater. Uit de correspondentie met B volgen geen waarnemingen of constateringen van B, maar hieruit volgt enkel dat werknemer zelf beweert dat hij op zaterdag koorts had en dat B het moeilijk te geloven vindt dat werknemer echt ziek was. De kantonrechter is, op basis van de overgelegde stukken en de onderlinge samenhang daarvan, dan ook van oordeel dat werknemer het gevraagde bewijs niet heeft geleverd. Het werkverzuim levert in dit geval een dringende reden voor ontslag op. Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig. Afwijzing van de verzoeken van werknemer volgt.