Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 7 april 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:501
Feiten
X, schilder van beroep, werkte al enkele jaren als zzp’er via LeVel v.o.f. voor verschillende schilderprojecten. Tussen hem en LeVel werden telkens aannemingsovereenkomsten gesloten, waarbij hij op regiebasis werkte tegen een uurtarief van € 37 exclusief btw. Hij dreef daarvoor een eenmanszaak onder de naam Bright-Teq. Met ingang van 2 april 2024 is X werkzaamheden gaan verrichten op projecten van Hoftijzer, een onderneming die onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan onroerende zaken en daarbij werkt met eigen personeel én onderaannemers, waaronder LeVel. De werkzaamheden van X bij projecten van Hoftijzer eindigden op 12 maart 2025. Tussen partijen ontstond vervolgens een geschil over de vraag in welke hoedanigheid X voor Hoftijzer had gewerkt. Volgens X was tussen hem en Hoftijzer een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen en was hij op 12 maart 2025 zelfs op staande voet ontslagen. Op die basis verzocht hij onder meer een verklaring voor recht dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en vernietiging van het ontslag op staande voet. Hoftijzer betwistte dat ooit een arbeidsovereenkomst tussen haar en X had bestaan. De kantonrechter wees de verzoeken van X af. In hoger beroep hield X vast aan zijn standpunt dat de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden wees op een arbeidsovereenkomst met Hoftijzer. Hij verwees onder meer naar het intakeformulier bij aanvang, het dragen van bedrijfskleding van Hoftijzer, het registreren van uren via een app van Hoftijzer, de aansturing op de projecten en de omstandigheid dat hij volgens hem deel uitmaakte van de organisatie van Hoftijzer. Hoftijzer bleef erbij dat deze omstandigheden ook passen bij inzet van een zzp’er via een onderaannemer en wees erop dat X bleef factureren aan LeVel, ziekte en afwezigheid aan LeVel doorgaf en zijn ondernemingsgegevens, btw-nummer en verzekering bleef gebruiken.
Oordeel
Het hof stelt voorop dat eerst moet worden beoordeeld óf tussen X en Hoftijzer überhaupt een contractuele verhouding tot stand is gekomen. Pas als dat zo is, komt de vraag aan de orde of die verhouding moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Het hof beantwoordt die eerste vraag ontkennend. Daarvoor acht het hof van belang dat X vóór 2 april 2024 al als zzp’er via LeVel werkte en dat er ook rond die datum nog aannemingsovereenkomsten tussen hem en LeVel zijn gesloten voor projecten van Hoftijzer. De e-mail van 27 maart 2024 wijst erop dat LeVel X bij Hoftijzer introduceerde en bepaalde dat hij op het project zou starten. Het op kantoor ingevulde ‘intekenformulier nieuw personeel’ maakt dit niet anders: dat formulier kan volgens het hof niet als arbeidsovereenkomst worden aangemerkt. Ook uit de feitelijke uitvoering volgt niet dat er een rechtstreekse overeenkomst met Hoftijzer is ontstaan. Dat X uren registreerde via een app van Hoftijzer, bedrijfskleding droeg en werkte binnen de projectorganisatie van Hoftijzer, is volgens het hof ook goed verenigbaar met zijn inzet als zzp’er via een onderaannemer. Daar staat tegenover dat meerdere omstandigheden juist tegen een contractuele relatie met Hoftijzer pleiten: X factureerde steeds aan LeVel, niet aan Hoftijzer, meldde ziekte en afwezigheid bij LeVel, werkte onder zijn handelsnaam, gebruikte zijn KvK- en btw-gegevens en had een eigen bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Daarom kan niet worden aangenomen dat hij zijn werkzaamheden voor Hoftijzer verrichtte op basis van een overeenkomst met Hoftijzer zelf. Het hof komt dus niet meer toe aan de kwalificatievraag of er sprake was van een arbeidsovereenkomst. De beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd.
