Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 18 maart 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:3230
Feiten
Werknemer is op 22 mei 2023 in dienst getreden bij Koninklijke Vezet B.V. (hierna: Vezet) als medewerker transport. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en van rechtswege geëindigd op 22 mei 2024. Werknemer is op 3 juni 2023 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk. Hij is ziek gebleven na 22 mei 2024. Het UWV heeft aan werknemer met ingang van 22 mei 2024 een ZW-uitkering toegekend. Vezet is eigenrisicodrager voor de Ziektewet en betaalt de ZW-uitkering aan werknemer namens het UWV. Het UWV heeft in een beslissing van 28 juni 2024 aan werknemer medegedeeld dat de betaling van de ZW-uitkering is geschorst met ingang van 10 juni 2024, omdat werknemer afspraken niet nakomt en weigert mee te werken aan re-integratie. Het UWV heeft in een beslissing van 21 augustus 2024 de ZW-uitkering geweigerd. Werknemer vordert primair een verklaring voor recht dat Vezet is tekortgeschoten in de nakoming van haar re-integratieverplichtingen en subsidiair vordert hij loon vanaf 10 juni 2024. Werknemer legt aan de vordering ten grondslag – samengevat – dat Vezet tot 31 mei 2025 een verplichting heeft tot loondoorbetaling tijdens ziekte en dat Vezet de regels rondom re-integratie heeft geschonden.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Ten aanzien van de vordering over re-integratie tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst is werknemer niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een deskundigenverklaring. Er is geen sprake van een uitzondering op de verplichting tot het overleggen van een deskundigenverklaring; daarover heeft werknemer ook niets gesteld. Voorts is werknemer in voornoemde vordering niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang. Werknemer verbindt aan zijn vordering immers geen gevolgen of aanspraken. De vordering met betrekking tot loondoorbetaling vanaf 10 juni 2024 wordt afgewezen, omdat er geen recht meer is op loondoorbetaling. Als werknemer het niet eens is met de schorsing en weigering van de ZW-uitkering, moet hij bezwaar maken en eventueel beroep indienen volgens de regels van het bestuursrecht. Daarover oordeelt de bestuursrechter, niet de kantonrechter. Voor zover de vorderingen van werknemer zien op zijn aanspraken in het kader van de Ziektewet, zijn die vorderingen dus niet-ontvankelijk, omdat bezwaar kon worden gemaakt of beroep bij de bestuursrechter kon worden ingesteld. De conclusie is dus dat de vorderingen van werknemer deels worden afgewezen en deels niet-ontvankelijk worden verklaard.
