Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 17 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:2603
Feiten
Tussen 27 juli 2025, toen de loondoorbetalingsverplichting van werkgever na twee jaar arbeidsongeschiktheid van werkneemster eindigde, en 21 augustus 2025, is sprake geweest van een periode waarin het dienstverband nog niet is geëindigd, maar waarin de arbeidsongeschikte werkneemster geen recht op loon en geen re-integratieverplichtingen heeft (slapend dienstverband). Werkneemster vraagt om uitbetaling van vakantiedagen die zij tijdens dit slapend dienstverband opgebouwd heeft. De kantonrechter heeft in zijn tussenbeschikking van 2 maart 2026 het voornemen geuit aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag te stellen: Bouwt een arbeidsongeschikte werknemer – anders dan artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt – vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband?
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Een antwoord op de prejudiciële vraag is nodig om op het verzoek van werkneemster in deze zaak te beslissen. Daarnaast is een antwoord op deze vraag rechtstreeks van belang voor een veelheid nog te verwachten zaken, die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en oorzaken. Er ontstaat namelijk in veel gevallen aan het einde van de periode van twee jaar ziekte een slapend dienstverband, omdat de werkgever toestemming voor ontslag moet vragen aan het UWV en deze procedure enige tijd duurt, waarna de werkgever ook nog een opzegtermijn in acht moet nemen. Deze problematiek speelt ook bij arbeidsrelaties waarin een slapend dienstverband langere tijd doorloopt omdat de werkgever niet tot beëindiging van het dienstverband overgaat (en de werknemer pas op een later moment een Xella-verzoek doet). Het is de kantonrechter bekend dat over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband inmiddels meerdere procedures zijn gevoerd. Ook de literatuur is verdeeld. Naar verwachting zal over dit onderwerp nog veel vaker worden geprocedeerd, tot de Hoge Raad uitsluitsel geeft over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband. Navraag bij de hoven leert dat over dit onderwerp op dit moment nog geen zaken aanhangig zijn. De kantonrechter stelt vast dat partijen geen bezwaar hebben tegen het stellen van een prejudiciële vraag en/of tegen de formulering van die vraag. De kantonrechter vraagt de Hoge Raad die prejudiciële vraag te beantwoorden.
