Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/Stichting Enver
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 11 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:1827
Kort geding. De vraag of werkgeefster de kosten van rechtsbijstand van werknemer moet vergoeden is in hoge mate afhankelijk van de uitkomst van de tuchtprocedure.

Feiten

Enver is een zorginstelling, die zich bezighoudt met het aanbieden van onder meer ambulante jeugd- en opvoedhulp. Werknemer is bij Enver in dienst geweest als pleegzorgbegeleider. Op de arbeidsovereenkomst van werknemer is de Cao Jeugdzorg van toepassing. Werknemer is in het kader van het strafrechtelijke onderzoek naar de Vlaardingse pleegouders, die werden verdacht van de mishandeling van een pleegkind, als getuige gehoord. Daarnaast heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) een onderzoek ingesteld naar het optreden van Enver in die kwestie. Dat heeft op 8 januari 2025 geleid tot een onderzoeksrapport, waarin (onder andere) geconcludeerd is dat Enver ernstig is tekortgeschoten in de pleegzorgbegeleiding. Op 16 april 2025 hebben werknemer en Enver een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat de arbeidsovereenkomst van werknemer op 1 september 2025 eindigt. In september 2025 heeft zowel Enver als de IGJ een tuchtrechtelijke klacht tegen werknemer ingediend bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (hierna: SKJ). Enver is niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. De door IGJ ingestelde tuchtprocedure loopt nog. Volgens werknemer volgt uit de vaststellingsovereenkomst tussen partijen en uit de cao dat Enver verplicht is om de kosten van rechtsbijstand van werknemer in het kader van de tuchtklachten te vergoeden. Enver is het niet eens met de eis van werknemer en voert aan dat werknemer geen spoedeisend belang bij zijn eis heeft. Ook stelt Enver zich op het standpunt dat er geen vergoedingsplicht bestaat op grond van de vaststellingsovereenkomst en/of de cao.

Oordeel

De kantonrechter wijst de eis van werknemer af. Op grond van artikel 10.2 van de vaststellingsovereenkomst in combinatie met artikel 4.3 sub a van de cao heeft werknemer in beginsel recht op vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand in de tuchtprocedures. De kantonrechter volgt Enver niet in haar stelling dat werknemer op grond van de cao geen recht zou hebben op vergoeding van die kosten. Dat zou slechts zo zijn als werknemer was ontslagen wegens een dringende reden (een ontslag op staande voet), maar dat is niet het geval. Omdat op dit moment de door IGJ ingestelde tuchtprocedure nog niet ten einde is, is daarnaast nog niet duidelijk of werknemer zodanig ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in de uitvoering van zijn werkzaamheden dat dit gelijkgesteld kan worden met de in artikel 4.3 sub b van de cao genoemde ‘dringende reden’. Bovendien, zelfs als de uitkomst van die tuchtprocedure zou zijn dat werknemer een dergelijk ernstig verwijt valt te maken, valt die situatie evenmin onder het bereik van artikel 4.3 sub b van de cao. Bij de uitleg van een cao-bepaling zijn immers in beginsel de bewoordingen van die bepaling van doorslaggevende betekenis. De uitkomst van de lopende tuchtprocedure is echter wel van belang met het oog op het bepaalde in artikel 10.2 van de vaststellingsovereenkomst en artikel 4.3 sub c van de CAO. Daarin is bepaald dat slechts redelijke kosten voor juridische bijstand door de werkgever worden vergoed. Als uit de uitspraak van het SKJ in de tuchtprocedure volgt dat werknemer zodanig ernstig tekort geschoten is in de uitvoering van zijn werkzaamheden dat dit aanleiding geeft tot het opleggen van een zware sanctie (bijvoorbeeld het doorhalen van de SKJ-registratie van werknemer), kan immers van Enver als werkgever in redelijkheid niet worden verwacht dat zij de kosten van rechtsbijstand van werknemer vergoedt. Die beoordeling op grond van artikel 10.2 van de vaststellingsovereenkomst en artikel 4.3 sub c van de CAO kan dus pas gemaakt worden als duidelijk is of – en zo ja in welke mate – werknemer tekort is geschoten in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Werknemer heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat hij inderdaad ‘procedurele fouten en inschattingsfouten’ heeft gemaakt bij zijn werkzaamheden, maar dat zegt nog niets over de exacte aard en ernst van die fouten. Daarover moet het SKJ oordelen. Werknemer heeft in dat verband verklaard dat de uitspraak in de lopende tuchtprocedure niet vóór eind februari 2026 wordt verwacht. De vraag of Enver de kosten van rechtsbijstand van werknemer moet vergoeden is in hoge mate afhankelijk van de uitkomst van de tuchtprocedure. Omdat de tuchtprocedure nog niet ten einde is en de uitkomst daarvan op dit moment nog zeer onzeker is, is het bij de huidige stand van zaken naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk dat de eis van werknemer in een bodemprocedure zal worden toegewezen.