Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 2 oktober 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:11322
Verzoek werknemer tot vernietiging ontslag op staande voet toegewezen, ontbindingsverzoek werkgeefster vanwege onder meer te laat komen werknemer toegewezen.

Feiten

Werknemer is per 14 december 201 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van productiemedewerker. Op 1 mei 2025 is werknemer op staande voet ontslagen vanwege het herhaaldelijk te laat of niet op het werk verschijnen, het schenden van bedrijfsregels en het niet verschijnen bij de bedrijfsarts. Werknemer verzoekt vernietiging van het ontslag op staande voet omdat er geen sprake zou zijn van een dringende reden en de verwijten die hem worden gemaakt te maken hebben met zijn ziekte. Werkgeefster voert aan dat werknemer bij herhaling en op grove wijze zijn verplichtingen op grond van de arbeidsovereenkomst heeft veronachtzaamd. Volgens werkgeefster heeft dit niets te maken met de ziekte van werknemer en is hij ook meerdere malen gewaarschuwd, maar heeft hij zijn gedrag niet verbeterd. Voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, heeft werkgeefster een tegenverzoek gedaan dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens verwijtbaar gedrag.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Als dringende reden voor het ontslag op staande voet moet worden aangemerkt de drie incidenten die in die brief zijn genoemd. Het gaat om het niet verschijnen bij de bedrijfsarts op 28 april 2025, het te vroeg vertrekken van het werk op 29 april 2025, en twintig minuten te laat komen op 1 mei 2025. Het staat vast dat werknemer niet op de afspraak bij de bedrijfsarts is verschenen. Wat ook vaststaat, is dat hij op 29 april 2025 vroegtijdig is weggegaan van zijn werk en dat hij op 1 mei 2025 twintig minuten te laat was. Gelet op het feit dat werknemer sinds 4 maart 2025 wegens ziekte ongeschikt was voor zijn werk, moet het niet verschijnen bij de bedrijfsarts worden aangemerkt als het schenden van controle- of re-integratievoorschriften tijdens ziekte. Dat geldt ook voor het voortijdig vertrekken van het werk, omdat werknemer heeft verklaard dat dit verband hield met duizeligheid en gezondheidsklachten. De kantonrechter heeft onvoldoende reden om aan die verklaring te twijfelen. De stellingen van werkgeefster in dit kader zijn inconsistent en de kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de verklaring van werknemer. Het werknemer verweten gedrag vormt geen bijkomende omstandigheid die, in aanvulling op het sanctieregime bij het schenden van re-integratieverplichtingen, ontslag op staande voet rechtvaardigen. De kantonrechter is met werkgeefster van oordeel dat het te laat komen op 1 mei 2025, wat niet met de ziekte van werknemer te maken heeft, verwijtbaar gedrag is van werknemer. Daarbij weegt mee dat werknemer verschillende waarschuwingen heeft gehad van werkgeefster die allemaal als aanleiding hadden dat werknemer niet of niet op tijd op het werk verscheen. Ook weegt mee dat werknemer op de zitting heeft erkend dat hij weet dat het te laat komen een forse verstoring oplevert van het productieproces van werkgeefster. Dat werknemer er dan toch voor kiest om weer te laat te komen vanwege het buitenzetten van zijn afvalcontainer moet hem dan ook worden aangerekend en verweten, maar rechtvaardigt geen ontslag op staande voet. De kantonrechter houdt daarbij ook rekening met de omstandigheid dat werknemer weliswaar te laat is gekomen, maar dat hij dit nog wel voor aanvang van zijn werktijd via een whatsappbericht heeft gemeld aan zijn leidinggevende. Verder is van belang dat werknemer al meer dan tien jaar werkzaam is voor werkgeefster en tot november 2024 kennelijk goed gefunctioneerd heeft. Pas nadien hebben verschillende incidenten plaatsgevonden, die ook deels te maken hebben met de ziekte van werknemer. Ook de ingrijpende gevolgen op persoonlijk vlak spelen hierbij een rol. Het ontslag op staande voet wordt vernietigd. Ten aanzien van het door werkgeefster te betalen loon wordt de wettelijke verhoging gematigd tot 10% omdat werknemer ook het nodige valt te verwijten. Het te laat komen op 1 mei 2025 rechtvaardigt wel ontbinding wegens verwijtbaar handelen. Van werkgeefster kan gelet op dat verwijtbare gedrag van werknemer in redelijkheid niet meer worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De hiervoor genoemde omstandigheden dragen daaraan bij, namelijk dat voor werknemer duidelijk was of kon zijn dat het te laat komen onacceptabel was, dat werknemer was gewaarschuwd, dat werknemer wist dat te laat komen grote gevolgen had voor werkgeefster, en dat werknemer geen deugdelijke reden had om te laat te komen. Omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, wordt de transitievergoeding toegewezen. Omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door werkgeefster, wordt geen billijke vergoeding toegekend. De proceskosten worden gecompenseerd.