Naar boven ↑

Rechtspraak

A.F.T. RVS B.V./werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 25 november 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:7459
Werkgeefster die werknemer na hersteldmelding niet laat terugkeren in zijn eigen functie en vervolgens het loon stopzet, is een billijke vergoeding van € 150.000 verschuldigd.

Feiten

Werknemer is vanaf 7 november 2011 werkzaam voor A.F.T. RVS B.V. (hierna: AFT), laatstelijk als allround medewerker. Op 21 februari 2022 is werknemer volledig uitgevallen. Vanaf oktober 2023 is hij begonnen met re-integreren. In de periode daarna zijn voortgangsgesprekken gevoerd tussen werknemer en de businesscontroller van AFT waarin is gesproken over de volledige terugkeer van werknemer in aangepaste werkzaamheden en een tweedespoortraject. AFT heeft meermaals medegedeeld dat werknemer niet kan terugkeren in zijn oude functie, omdat er een andere werknemer is aangenomen tijdens zijn ziekte. Op 19 februari 2024 heeft werknemer zich volledig hersteld gemeld. Op 29 februari 2024 heeft opnieuw een voortgangsgesprek plaatsgevonden, waarbij de insteek was om aan werknemer duidelijkheid te verstrekken over de ontstane situatie. Daarentegen heeft AFT tijdens dit gesprek haar twijfels geuit over de hersteldmelding van werknemer, omdat hij nog niet volledig zijn oude werkzaamheden verrichtte. Ook had AFT het loon van werknemer stopgezet, omdat volgens haar de wachttijd van 104 weken voorbij was. Op 7 maart 2024 heeft de arboarts geoordeeld dat werknemer arbeidsgeschikt is. Daarna is AFT het loon van werknemer weer gaan betalen. Tussen AFT en werknemer is vervolgens een arbeidsgeschil ontstaan. De besprekingen via een mediationtraject daarover hebben geleid tot een impasse. AFT heeft van 1 oktober 2024 tot 1 februari 2025 opnieuw het loon stopgezet met als reden dat werknemer niet werkt vanwege een arbeidsconflict en niet omdat hij arbeidsongeschikt is. Het overleg dat daarna tussen partijen heeft plaatsgevonden over een beëindigingsregeling heeft niet tot een oplossing geleid, waarna AFT bij de kantonrechter een verzoek heeft ingediend om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens (ernstig) verwijtbaar handelen. Werknemer heeft zich primair tegen de ontbinding verzet en subsidiair verzocht om toekenning van een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2025 ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Ook heeft de kantonrechter AFT veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon tot 1 februari 2025, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 25%. AFT is in hoger beroep gekomen. Werknemer heeft in hoger beroep zijn loonvordering vermeerderd met het achterstallig loon over de periode van 1 februari tot 1 mei 2025. In hoger beroep staan twee vragen centraal, namelijk (1) of AFT verantwoordelijk is voor de loonbetaling als werknemer niet werkt als gevolg van een arbeidsconflict en (2) of AFT ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en zo ja, welke billijke vergoeding daarbij hoort.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt.

Loonbetaling bij arbeidsconflict

Het hof oordeelt met verwijzing naar het Mak/SGBO-arrest van de Hoge Raad dat werknemer alle inspanningen heeft verricht die erop gericht zijn de situatieve arbeidsongeschiktheid weg te nemen. Zowel op 1 juli als op 26 september 2024 heeft de arts het advies aan beide partijen gegeven om te komen tot een passende oplossing, waarbij AFT en werknemer hebben meegewerkt aan de voorgestelde mediation. Het feit dat werknemer de overgelegde vaststellingsovereenkomst niet heeft getekend, betekent niet dat hij niet heeft meegewerkt aan de oplossing van het arbeidsconflict. Bovendien kan werknemer niet worden verweten dat hij mediation voor een tweede keer heeft geweigerd. AFT heeft immers aangevoerd dat deze tweede mediation was bedoeld om de onderhandelingen over de beëindigingsregeling voort te zetten. Dit zou dus een herhaling van zetten zijn geweest. Dit betekent dat de hoofdregel van artikel 7:628 BW van toepassing is, zodat AFT verplicht is het loon door te betalen. Het hof wijst derhalve de volledige loonvordering van werknemer toe, vermeerderd met 25% wettelijke verhoging. Voor het loon over de periode van 1 februari tot 1 mei 2025 kent het hof een wettelijke verhoging van 35% toe, omdat AFT deze vordering bewust onbetaald heeft gelaten na het vonnis van de kantonrechter.

AFT heeft ernstig verwijtbaar gehandeld

Het hof oordeelt verder dat de verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van AFT. Daarbij speelt mee dat AFT de betermelding van werknemer op 19 februari 2024 ten onrechte niet heeft geaccepteerd, AFT daarmee zelf een oordeel heeft gegeven over de arbeidsongeschiktheid van werknemer in plaats van dat aan de deskundigen over te laten, AFT tweemaal ten onrechte het loon heeft stopgezet terwijl werknemer bij een van deze keren zelfs nog werkzaamheden uitvoerde. Verder is niet vast komen te staan dat AFT werknemer na zijn hersteldmelding tewerk heeft gesteld in zijn eigen functie en zij heeft daar geen afdoende rechtvaardiging gegeven; dit alles zorgde ook voor onduidelijkheid bij werknemer over zijn functie. Ten slotte heeft AFT niet aan haar plicht uit artikel 7:655 lid 1 BW voldaan en is zij blijven aansturen op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het feit dat AFT iemand anders op de plek van werknemer heeft tewerkgesteld en werknemer daarom niet kon laten terugkeren in zijn oude functie is te begrijpen, maar bij herstel van werknemer had werknemer volgens het hof gewoon recht op zijn eigen functie. De conclusie is dan ook dat AFT ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en werknemer recht heeft op een billijke vergoeding. De hoogte van deze billijke vergoeding stelt het hof vast op een bedrag van € 150.000. Daarvoor weegt het hof mee dat de arbeidsovereenkomst zonder de door AFT veroorzaakte verstoring hoogstwaarschijnlijk nog tot de AOW-leeftijd zou zijn doorgelopen, namelijk nog zes jaar en 10 maanden. Daartegenover weegt het hof ook mee dat werknemer de wettelijke transitievergoeding heeft ontvangen en een deel van de gestelde inkomensschade gecompenseerd is met een ZW/WW-uitkering. Ook acht het hof waarschijnlijk dat het werknemer, in verband met zijn technische achtergrond, op enig moment lukt om nieuw werk te vinden.