Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 10 oktober 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:5477
Ontslag op staande voet van werknemer wegens vermeende vervalsing niet rechtsgeldig. Eerdere ontslag als statutair bestuurder van dochtervennootschap leidde niet tot einde van arbeidsovereenkomst met werkgever.

Feiten

Werknemer is op 18 juli 2022 in dienst getreden bij werkgeefster als bestuurder met een brutomaandsalaris van € 19.379,63 exclusief emolumenten. Per 1 maart 2023 is hij benoemd tot bestuurder van dochtervennootschap X. Op 31 maart 2025 is werknemer als bestuurder van bedrijf X ontslagen. Dit vennootschapsrechtelijke ontslag is onbetwist rechtsgeldig. In dezelfde e-mail heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd per 1 augustus 2025, hetgeen werknemer betwist. Tijdens de mondelinge behandeling op 2 juli 2025 ontstond bij werkgeefster het vermoeden dat werknemer een vervalst document aan zijn verzoekschrift had toegevoegd. Een onderzoek bevestigde dit vermoeden, waarna werkgeefster werknemer bij brief van 22 juli 2025 op staande voet heeft ontslagen wegens valsheid in geschrifte, bestaande uit het opstellen en verzenden van een vervalste leningsovereenkomst en werkgeversverklaring met gebruik van handtekeningen van leidinggevenden. Naar aanleiding van dit ontslag heeft werknemer zijn verzoeken gewijzigd en verzoekt hij onder meer betaling van het achterstallig loon over juli 2025 met deugdelijke eindafrekening en opgebouwde vakantiebijslag, een billijke vergoeding, transitievergoeding, bonussen over 2024 en het eerste kwartaal van 2025, en een vergoeding in verband met de waardevermeerdering en eigen inbreng van aandelen conform de SPTA. Daarnaast verzoekt hij te verklaren dat hij als ‘early leaver’ in de zin van de SPTA moet worden aangemerkt, geen afkoopsom voor de leaseauto verschuldigd is en dat het concurrentie- en relatiebeding geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft. Werkgeefster voert verweer en stelt dat werknemer als ‘bad leaver III’ kwalificeert en na verrekening een bedrag aan haar verschuldigd is. Ook verzoekt zij dat werknemer volledige inzage verschaft in de partijen waaraan de vervalste documenten zijn verstrekt, op straffe van een dwangsom.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. 

Het ontslag op staande voet per 22 juli 2025

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet van 22 juli 2025 niet rechtsgeldig is. Werkgeefster baseerde het ontslag op de stelling dat werknemer een leningsovereenkomst en een werkgeversverklaring had vervalst, verwijzend naar een onderzoek. In het dossier bevinden zich meerdere versies van beide documenten, maar niet is komen vast te staan dat werknemer deze heeft vervalst. Dat volgt niet uit het rapport, noch uit de stellingen van werkgeefster. Ook heeft werkgeefster werknemer niet gehoord over de bevindingen van het onderzoek. Goed werkgeverschap brengt mee dat de werkgever hoor en wederhoor toepast voordat tot ontslag op staande voet wordt overgegaan. Dat is hier niet gebeurd, zodat het ontslag niet zorgvuldig tot stand is gekomen en daarom wordt vernietigd. De arbeidsovereenkomst is blijven bestaan, zodat het loon over juli 2025, met wettelijke verhoging en rente, moet worden betaald. Voor matiging daarvan bestaat geen aanleiding. De verzoeken van werkgeefster om een gefixeerde schadevergoeding en om inzage in de partijen waaraan de documenten zijn verstrekt, worden afgewezen.

De opzegging per 1 augustus 2025 

Op 31 maart 2025 is werknemer als bestuurder van bedrijf X ontslagen. Op diezelfde dag heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd met ingang van 1 augustus 2025. De opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2025 is niet rechtsgeldig. Werkgeefster stelde dat het ontslag als bestuurder van bedrijf X automatisch het einde van het dienstverband met haar meebracht, onder verwijzing naar de zogenoemde 15 april-arresten van de Hoge Raad. De kantonrechter oordeelt echter dat die rechtspraak niet van toepassing is, omdat het statutair bestuurderschap en het werknemerschap hier bij verschillende vennootschappen waren ondergebracht. De arbeidsovereenkomst kon daarom niet zonder instemming van werknemer worden opgezegd. Nu die instemming ontbrak, is de opzegging in strijd met artikel 7:671 BW. Werknemer heeft echter in die beëindiging berust, zodat de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2025 is geëindigd.

Eindafrekening en vergoedingen 

Het verzoek tot betaling van een deugdelijke eindafrekening, inclusief openstaande vakantiedagen en opgebouwde vakantiebijslag, wordt toegewezen, met wettelijke verhoging en rente. Het niet onderbouwde verzoek van werkgeefster om een inhouding wegens een niet ingeleverde laptop wordt afgewezen. Voor toekenning van een billijke vergoeding ziet de kantonrechter geen aanleiding. Werkgeefster heeft ten onrechte aangenomen dat het ontslag als bestuurder ook het einde van het dienstverband inhield, maar het is niet gebleken dat zij bewust in strijd met de regels heeft gehandeld. Ook het ontslag op staande voet was onzorgvuldig, maar niet zodanig verwijtbaar dat een billijke vergoeding gerechtvaardigd is. Daarbij weegt mee dat werkgeefster een redelijke grond had voor beëindiging wegens verlies van vertrouwen na aanhoudende financiële tegenvallers, en dat werknemer inmiddels een nieuwe functie had per 1 augustus 2025, zodat hij geen inkomensschade heeft geleden. De transitievergoeding wordt wel toegewezen, nu er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer. Werkgeefster heeft het door werknemer berekende bedrag niet betwist, zodat dit wordt toegewezen met wettelijke rente vanaf 1 september 2025. Het verzoek om een loonsverhoging per 1 januari 2025 is ingetrokken en de kantonrechter bepaalt dat werknemer daarop geen recht heeft. De verzochte bonussen over 2024 en 2025 worden afgewezen, omdat werknemer zijn aanspraak daarop niet heeft onderbouwd en werkgeefster gemotiveerd heeft gesteld dat de KPI’s niet zijn behaald.

Concurrentie- en relatiebeding

Ten aanzien van het concurrentie- en relatiebeding overweegt de kantonrechter dat werkgeefster daaraan rechten kan ontlenen. Van ernstig verwijtbaar handelen of onbillijke benadeling van werknemer is geen sprake. Werknemer heeft bovendien verklaard dat hij bij zijn nieuwe werkgever niet wordt belemmerd door deze bedingen. De verzoeken tot schorsing of vernietiging daarvan worden daarom afgewezen. 

Leaseauto en aandelen 

Ook het verzoek om te bepalen dat werknemer geen afkoopsom voor de leaseauto verschuldigd is, wordt wegens gebrek aan belang afgewezen, nu de auto inmiddels is overgenomen. Met betrekking tot de aandelenparticipatie oordeelt de kantonrechter dat werknemer op grond van de SPTA als ‘early leaver’ moet worden aangemerkt. Dit betekent dat hij slechts recht heeft op de laagste van de marktwaarde of de aankoopprijs van de aandelen. Dat is in dit geval de aankoopprijs van € 300.000, verminderd met het geleende bedrag en rente. De kantonrechter volgt de door werkgeefster gemaakte berekening en bepaalt dat werknemer recht heeft op € 118.822 netto. De stelling dat werkgeefster andere verwachtingen heeft gewekt, wordt verworpen. Tot slot bepaalt de kantonrechter dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen en dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is, nu werkgeefster onvoldoende heeft onderbouwd dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan dat van werknemer bij tenuitvoerlegging.