Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26 november 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:22121
Feiten
Indigo is een zorgorganisatie die werkt met twee directieleden die samen leiding geven. Werknemer is sinds 1 september 2022 in dienst bij Indigo en vormt samen met X de directie. Werknemer valt rechtstreeks onder bestuurders Y en Z. In de gedragscode van Indigo staat onder meer dat medewerkers geen zakelijke, seksuele of liefdesrelatie mogen hebben met collega’s met wie zij een werkrelatie hebben. Als zo’n relatie of familieband ontstaat, moet dit met de leidinggevenden worden besproken, zodat mogelijke nadelige gevolgen voor werk en organisatie kunnen worden afgewogen en zo nodig maatregelen kunnen worden getroffen. In de periode van de zomer van 2024 tot begin februari 2025 heeft werknemer een affectieve, wederzijdse en gelijkwaardige relatie gehad met A. Formeel is zij hiërarchisch ondergeschikt, maar volgens werknemer viel zij in de praktijk onder X en een inhoudelijk verantwoordelijke psychiater. Tijdens de relatie was geen enkele collega op de hoogte. Ook na het uitkomen van de relatie zijn geen concrete problemen op de werkvloer gebleken. Op 7 juli 2025 meldt A de inmiddels beëindigde relatie bij X. Op 15 en 16 juli 2025 volgen (telefoon)gesprekken tussen werknemer en bestuurder Y. Bij brief van 24 juli 2025 wordt werknemer geschorst. Indigo kondigt aan de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter te willen laten ontbinden en doet een beëindigingsvoorstel. Indigo verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair wegens verwijtbaar handelen, subsidiair wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en vertrouwensbreuk en meer subsidiair op de cumulatiegrond. Werknemer stelt onder meer dat de gedragscode hem bij indiensttreding niet is verstrekt. De relatie met A was kort, wederzijds en gelijkwaardig, zonder (feitelijke) afhankelijkheidsrelatie en zonder negatieve gevolgen voor werk of organisatie. Hij had geen invloed op haar promoties of beoordeling en was niet haar feitelijke leidinggevende. Hij erkent dat hij de relatie achteraf gezien had moeten melden en heeft in het gesprek van 16 juli 2025 spijt uitgesproken.
Oordeel
Vast staat dat werknemer een relatie met A heeft gehad en deze niet (tijdig) heeft gemeld. De rechter acht het onaannemelijk dat werknemer de gedragscode niet kende, nu deze onderdeel was van zijn arbeidsovereenkomst en later in overleggen is besproken. Op grond van die code had hij de (ook al beëindigde) relatie eerder moeten melden. Het niet (tijdig) melden wordt daarom als verwijtbaar aangemerkt. Desondanks acht de kantonrechter dit verwijt niet ernstig genoeg om ontbinding te rechtvaardigen. De relatie was relatief kort en al maanden beëindigd, het ging om een wederzijdse, gelijkwaardige relatie en er is niet gebleken van concreet machtsmisbruik, belangenverstrengeling of negatieve gevolgen op de werkvloer. Dat re‑integratie van A in algemene zin in het duale overleg aan de orde is geweest, verandert dat niet. Indigo wijst vooral op theoretische risico’s, maar maakt niet aannemelijk dat deze zich in dit geval hebben verwezenlijkt. Bovendien heeft Indigo direct gekozen voor de zwaarste maatregel, ontslag, terwijl minder vergaande maatregelen (zoals overplaatsing of demotie) mogelijk waren. De e‑grond wordt daarom afgewezen. Ook de g‑grond slaagt niet. Weliswaar is er een deuk in het vertrouwen, maar dat betekent nog niet dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord is. Uit het gespreksverslag blijkt dat werknemer zijn fout erkent en spijt betuigt. Indigo heeft niet concreet onderbouwd dat sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk of een reële kans op herhaling en zij heeft geen pogingen gedaan om herplaatsing te onderzoeken. De g‑grond wordt daarom verworpen. Omdat geen van beide gronden slaagt en Indigo geen aanvullende feiten heeft aangevoerd, faalt ook de cumulatiegrond (i‑grond). De arbeidsovereenkomst wordt dan ook niet ontbonden.
