Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7814
Feiten
Werknemer is per 1 juni 1982 in dienst getreden bij werkgeefster. Op 26 augustus 2025 heeft werknemer zich ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft mediation geadviseerd. Uit een deskundigenoordeel van het UWV volgt dat het advies om tot mediation over te gaan niet is opgevolgd. Werknemer vordert, onder meer, loon over de maand september 2025 en een veroordeling van werkgever tot meewerking aan de re-integratieverplichtingen en het advies van de bedrijfsarts, te weten pendelmediation.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Toetsing van het gevorderde aan het juridisch kader voor spoedeisend belang leidt ertoe dat voor een groot deel van de door werknemer ingestelde geldvorderingen het vereiste spoedeisende belang ontbreekt. Ten aanzien van de vordering tot betaling van het restant van de geldlening, dan wel de achterstallige aflossingstermijnen heeft werknemer ter zitting desgevraagd immers verklaard dat hij deze gelden niet direct nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Van een acute financiële noodzaak is derhalve niet gebleken. Deze kwestie leent zich dan ook voor behandeling in een bodemprocedure. Hetzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke verhoging en de buitengerechtelijke incassokosten. Voor een vordering tot wettelijke verhoging geldt dat het spoedeisend belang niet zomaar vaststaat. Het had op de weg van werknemer gelegen om het spoedeisend belang bij deze vordering concreet te onderbouwen. Werknemer heeft ter zitting slechts aangevoerd dat de wettelijke verhoging moet voorkomen dat er voor de toekomst een precedent wordt geschapen inzake te late betalingen. Dit levert echter geen acute financiële noodzaak of spoedeisend belang op. Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten is het vereiste spoedeisende belang evenmin gesteld of gebleken. De kantonrechter komt wegens het ontbreken van een spoedeisend belang bij deze twee posten niet toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. De vorderingen ter zake zullen dan ook worden afgewezen. Het geschil beperkt zich hierdoor tot de loonvordering over september 2026 en de vordering tot medewerking aan de re-integratie via pendelmediation. Werkgeefster heeft ten aanzien van het gevorderde salaris over de maand september 2026 ter zitting erkend dat dit salaris ten tijde van de zitting opeisbaar is geworden en heeft toegezegd tot betaling daarvan over te zullen gaan. Daarmee is de verschuldigdheid van deze vordering voldoende aannemelijk geworden. De vordering zal dan ook worden toegewezen. Nu voldoende aannemelijk is geworden dat de medische noodzaak tot pendelmediation aanwezig is, het advies van de bedrijfsarts daartoe helder is en de voorwaardelijke op non-actiefstelling daaraan niet afdoet, zal de vordering tot medewerking aan de re-integratieverplichtingen en het volgen van het advies van de bedrijfsarts – te weten het starten van pendelmediation – worden toegewezen. Hoewel een deel van de geldvorderingen is afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang, geldt dat werkgeefster ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in verzuim verkeerde ten aanzien van de nakoming van haar re-integratieverplichtingen en de tijdige betaling van het salaris. Het instellen van deze procedure door werknemer was derhalve noodzakelijk om nakoming op deze essentiële punten af te dwingen. Om die reden wordt werkgeefster in de proceskosten veroordeeld.
