Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Personenvervoer Rotterdam B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14701
Afwijzing loonvordering AOW-gerechtigde chauffeur na betwiste herstelmelding en geen toekenning transitievergoeding bij ontbinding, ook al trad werknemer pas na zijn AOW-leeftijd in dienst.

Feiten

Werknemer bereikte in 2018 de AOW-gerechtigde leeftijd en trad op 7 maart 2019 als chauffeur in dienst bij werkgever. Op 30 augustus 2024 meldde hij zich ziek. De arboarts constateerde beperkingen bij staan en langer lopen, maar achtte werknemer geschikt voor passend werk. Na een nieuwe ziekmelding op 18 november 2024 oordeelde de arboarts op 19 december 2024 dat werknemer op dat moment niet inzetbaar was in eigen of ander werk, onder meer wegens beperkingen bij lopen, zitten, staan en fysieke belasting. Werkgever berichtte werknemer vervolgens dat de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte voor een AOW-gerechtigde werknemer na zes weken eindigde en dat vanaf 2 januari 2025 geen loon meer zou worden betaald. Werknemer meldde zich per 13 januari 2025 hersteld, maar gaf daarbij aan dat zijn gezondheidssituatie inhoudelijk niet was gewijzigd en dat hij zich mede hersteld meldde omdat zijn ziekteverzuim niet langer werd vergoed. Ook deed hij voorstellen voor beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden en een vergoeding ter hoogte van de door hem berekende transitievergoeding. De arboarts oordeelde op 23 januari 2025 dat werknemer licht was verbeterd en inzetbaar was voor passend werk, rekening houdend met beperkingen. Werkgever bood echter niet direct passend werk aan en wilde eerst opnieuw door de bedrijfsarts laten beoordelen welk werk passend was, mede omdat eerder passend werk opnieuw tot uitval had geleid. Werknemer verscheen niet op de geplande afspraak bij de bedrijfsarts. Werknemer verzoekt betaling van achterstallig loon vanaf 13 januari 2025. Daarnaast verzoekt hij werkgever te verplichten mee te werken aan beëindiging van het dienstverband conform het Xella-arrest, met toekenning van een transitievergoeding. Werkgever verzoekt op zijn beurt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder transitievergoeding.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat uit de brief van werknemer van 6 januari 2025 niet volgt dat hij per 13 januari 2025 volledig hersteld was. Werknemer meldde zich vooral hersteld, omdat hij geen loon meer ontving, terwijl hij tegelijk aangaf dat zijn medische situatie niet was gewijzigd. Werkgever mocht daarom twijfelen aan volledige herstelmelding. Ook mocht werkgever, gelet op de leeftijd van werknemer, zijn fysieke beperkingen en de aard van het chauffeurswerk, eerst door de bedrijfsarts laten beoordelen welk passend werk eventueel mogelijk was. Dat werknemer niet op de afspraak bij de bedrijfsarts verscheen, komt voor zijn rekening. Omdat werknemer geen deskundigenoordeel van het UWV over heeft gelegd en niet heeft meegewerkt aan verdere beoordeling van passend werk, wordt zijn loonvordering afgewezen. De loondoorbetalingsverplichting was na zes weken geëindigd op grond van de regeling voor AOW-gerechtigde werknemers. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Werknemer voerde daartegen geen inhoudelijk verweer en wilde feitelijk zelf ook beëindiging, maar meende dat hij anders zijn aanspraak op de transitievergoeding zou verliezen. De kantonrechter volgt hem daarin niet. Omdat werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd al had bereikt, is op grond van artikel 7:673 lid 7 onder b BW geen transitievergoeding verschuldigd. Dat de arbeidsovereenkomst pas ná het bereiken van de AOW-leeftijd is aangegaan, maakt dit volgens de kantonrechter niet anders. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 december 2026 en bepaald wordt dat werknemer geen recht heeft op een transitievergoeding. Hoewel werknemer in het ongelijk wordt gesteld, compenseert de kantonrechter de proceskosten, omdat werkgever onvoldoende duidelijk met werknemer heeft gecommuniceerd over de noodzaak van een nieuwe beoordeling door de bedrijfsarts en over de mogelijkheid van een second opinion of deskundigenoordeel.