Rechtspraak
Feiten
Bij presidentieel decreet ingevolge artikel 98, lid 1, van wet 3566/2007, volgens welke bepaling de functie van ambtenaren van de categorie diplomaten die 65 jaar zijn geworden en effectief 35 jaar met pensioenopbouw in openbare dienst hebben gewerkt, ambtshalve wordt beëindigd, is de functie van IS met ingang van 31 december 2017 beëindigd op grond dat hij op die datum de leeftijd van 65 jaar had bereikt en effectief 35 jaar met pensioenopbouw in openbare dienst had gewerkt. Volgens IS maakt Griekenland een verboden onderscheid op grond van leeftijd. De verwijzende rechter wijst er net als de minister van Buitenlandse Zaken op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling tot doel heeft een evenwichtige leeftijdsstructuur tussen jongere en oudere ambtenaren te waarborgen, waardoor de ervaring van de oudsten naar de jongsten kan worden overgedragen en de toegang van jonge ambtenaren tot de categorie diplomaten wordt vergemakkelijkt. Bovendien heeft de nationale wetgever rekening gehouden met de noodzaak voor de ambtenaren uit deze categorie om een voldoende lange diensttijd te vervullen om in aanmerking te komen voor een toereikend pensioen, en met het belang van het betalen van voldoende premies om het socialezekerheidsstelsel te versterken. Om deze redenen heeft de nationale wetgever het feit dat effectief 35 jaar met pensioenopbouw in openbare dienst is gewerkt, alsmede de leeftijd van 65 jaar (minimum) en 67 jaar (maximum), als belangrijkste criterium gekozen. Bovendien geeft deze rechter subsidiair aan dat de bijzondere aard van de diplomatieke dienst een rechtvaardiging vormt voor het verschil in behandeling op grond van leeftijd met betrekking tot de pensionering van ambtenaren uit die categorie ten opzichte van andere ambtenaren.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Pensioenontslag is een objectief te rechtvaardigen vorm van leeftijdsonderscheid indien het een evenwichtige leeftijdsstructuur tussen jongere en oudere ambtenaren nastreeft
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de legitimiteit van een doelstelling van werkgelegenheidsbeleid die neerkomt op het vergemakkelijken van generatievernieuwing en verjonging niet redelijkerwijs in twijfel kan worden getrokken, daar deze doelstelling een van de in artikel 6, lid 1, eerste alinea Richtlijn 2000/78/EG uitdrukkelijk genoemde doelstellingen is en de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid overeenkomstig artikel 3, lid 3, eerste alinea, VEU een van de door de Unie nagestreefde doelstellingen vormt (zie in die zin HvJ EU 3 juni 2021, Ministero della Giustizia (Notarissen), C-914/19, ECLI:EU:C:2021:430, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts vormt de bevordering van de werkgelegenheid onbetwistbaar een legitiem doel van sociale politiek of werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, met name wanneer het erom gaat de toegang van jongeren tot de uitoefening van een beroep te bevorderen (zie in die zin Ministero della Giustizia (Notarissen), punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo kan de doelstelling een evenwichtige leeftijdsstructuur tussen jongere en oudere ambtenaren uit de categorie diplomaten te creëren om nieuwe aanstellingen en de promotie van jongeren te bevorderen, het personeelsbeheer te optimaliseren en daarmee eventuele geschillen over de geschiktheid van deze functionarissen om hun activiteit na een bepaalde leeftijd uit te oefenen te voorkomen, en om daarbij een operationele diplomatieke dienst te behouden, een legitiem doel van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid vormen (zie in die zin HvJ EU 21 juli 2011, Fuchs en Köhler, gevoegde zaken C-159/10 en C-160/10, ECLI:EU:C:2011:508, punt 50).
Bijgevolg is de doelstelling om de generatievernieuwing en verjonging van ambtenaren van de categorie diplomaten van het ministerie van Buitenlandse Zaken te vergemakkelijken een legitiem doel in de zin van artikel 6, lid 1 Richtlijn 2000/78/EG.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een regeling van een lidstaat die bepaalt dat bepaalde werknemers bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar ambtshalve met pensioen worden gestuurd, niet kan worden aangemerkt als een excessieve inbreuk op de gerechtvaardigde aanspraken van die werknemers, aangezien die regeling niet alleen is gebaseerd op een bepaalde leeftijd maar tevens rekening houdt met de omstandigheid of de belanghebbenden aan het einde van hun beroepsloopbaan aanspraak hebben op een financiële vergoeding in de vorm van een ouderdomspensioen waarvan de hoogte niet als onredelijk kan worden beschouwd, en de betrokkenen in voorkomend geval de mogelijkheid biedt om hun dienstverband tot de leeftijd van 67 jaar voort te zetten om effectief 35 jaar met pensioenopbouw in openbare dienst te werken (zie in die zin HvJ EG 16 oktober 2007, Palacios de la Villa, C-411/05, ECLI:EU:C:2007:604, punt 73). Het is evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of de nationale regeling in het hoofdgeding niet verder gaat dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken.
Conclusie
Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat Richtlijn 2000/78/EG aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan ambtenaren die deel uitmaken van een diplomatieke dienst op de leeftijd van 65 jaar ambtshalve met pensioen worden gestuurd wanneer zij effectief 35 jaar met pensioenopbouw in openbare dienst hebben gewerkt, in tegenstelling tot andere ambtenaren en overheidsfunctionarissen die niet aan deze voorwaarden voldoen en die op die leeftijd dus niet ambtshalve met pensioen worden gestuurd, op voorwaarde dat deze nationale regeling een legitiem doel van werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid nastreeft en dat deze regeling binnen de wetgevingscontext ervan en gelet op alle situaties waarop deze van toepassing is, passend en noodzakelijk is om dat doel te bereiken.
