Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Snoei Tuinmaterialen Bleiswijk B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 1 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:13920
Loonstop terecht opgelegd, omdat werknemer ten onrechte aangepaste werkzaamheden weigerde en eerst een arbeidsdeskundig onderzoek verlangde.

Feiten

Werknemer is per 1 november 2025 in dienst getreden bij Snoei Tuinmaterialen Bleiswijk B.V. (hierna: Snoei) in de functie van verkoopadviseur. Werknemer meldde zich op 19 juni 2026 ziek wegens rugklachten. De bedrijfsarts oordeelde in zijn adviesrapportage dat werknemer per direct kon hervatten in vervangende werkzaamheden, rekening houdend met zijn beperkingen. Tegelijk adviseerde hij een arbeidsdeskundig onderzoek als werknemer niet op korte termijn zou vertrekken. Snoei riep werknemer vervolgens op om de vervangende werkzaamheden te verrichten en kondigde een loonstop aan bij weigering. Werknemer weigerde, omdat hij eerst een arbeidsdeskundig onderzoek wilde. Snoei stopte het loon. Werknemer zegde vervolgens zijn arbeidsovereenkomst zelf op. In deze procedure verzoekt werknemer bij voorlopige voorziening Snoei te veroordelen tot betaling van het achterstallige loon met de wettelijke verhoging. Verder verzoekt hij onder meer betaling van de eindafrekening en van zijn advocaatkosten. Snoei voert aan dat werknemer een deskundigenoordeel over had moeten leggen en dat de loonstop terecht was.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Anders dan Snoei aanvoert, geldt er geen verplichting voor werknemer om een deskundigenoordeel over te leggen. De loonvordering betreft een voorlopige voorziening en het vereiste van artikel 7:629a lid 1 BW geldt niet in procedures bij voorlopige voorziening. Het rapport van de bedrijfsarts lijkt voor een deel tegenstrijdig te zijn. Het is begrijpelijk dat hierover bij werknemer verwarring is ontstaan, maar de casemanager van de arbodienst heeft daarover duidelijkheid gegeven. Werknemer kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat Snoei van hem verlangde dat hij, zonder rekening te houden met zijn beperkingen, per direct zou hervatten in zijn eigen werk. Uit de brieven van Snoei blijkt duidelijk dat het ging om vervangende werkzaamheden, rekening houdend met de beperkingen van werknemer. Werknemer heeft daarom ten onrechte geweigerd de aangepaste werkzaamheden te komen verrichten en verlangd dat eerst arbeidsdeskundig onderzoek zou plaatsvinden. Uit de adviesrapportage volgt niet dat de beperkingen tot gevolg hadden dat werknemer de aangeboden werkzaamheden niet kon verrichten. Snoei heeft op de zitting toegelicht dat werknemer niet hoefde te tillen. Dat dit volgens werknemer niet realistisch was, omdat hij dan een collega zou moeten vragen om tegels te tillen, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Hij heeft het namelijk niet eens geprobeerd. De slotsom is dat Snoei het loon terecht heeft stopgezet vanwege het weigeren van passende werkzaamheden. Snoei had toegezegd binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst een eindafrekening op te stellen. Deze termijn was ten tijde van de zitting nog niet verstreken. Snoei wordt daarom veroordeeld tot betaling van de eindafrekening binnen een maand na 1 september 2026. De wettelijke verhoging wordt afgewezen, omdat er nog geen sprake was van een te late betaling. De advocaatkosten worden afgewezen. Voor zover deze zijn gemaakt vanwege de loonstop, bestaat daarvoor geen grond, omdat de loonstop terecht was. Voor het overige heeft werknemer onvoldoende uitgelegd welke werkzaamheden buiten de procedure zijn verricht. Wel heeft werknemer recht op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Snoei heeft de aanzegvergoeding en het loon immers pas betaald na tussenkomst van de advocaten van werknemer. De overige verzoeken worden afgewezen. Snoei heeft een deel van de verzochte bedragen pas na het indienen van het verzoekschrift betaald. De proceskosten worden gecompenseerd.