Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29528
Feiten
Werkneemster is per 7 januari 2025 in dienst getreden bij Vereniging FME (hierna: FME) in de functie van projectmanager. De arbeidsovereenkomst was aangegaan voor de duur van één jaar. Haar was toegezegd dat de overeenkomst bij goed functioneren zou worden omgezet naar een vast contract. Op 8 juli 2025 meldde werkneemster zich ziek, omdat er naar eigen zeggen sprake was van een structureel onveilige werksituatie. Zij kon zich niet vinden in het oordeel van de bedrijfsarts dat er sprake was van een ‘arbeidsconflict’ en verzette zich daarom tegen de re-integratievoorstellen. Nadat werkneemster aankondigde de kwestie voor te leggen aan de Autoriteit Persoonsgegevens en het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, nam een andere bedrijfsarts de begeleiding over. Tot ongenoegen van werkneemster oordeelde ook deze bedrijfsarts dat de uitval het gevolg was van een ‘arbeidsconflict’. Werkneemster bleef zich verzetten tegen de re-integratieadviezen, weigerde het plan van aanpak te ondertekenen en verscheen niet op meerdere afspraken met de bedrijfsarts. Een dag later deelde FME mee dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Per 7 januari 2026 eindigde het dienstverband. Het UWV wees daarna de aanvraag voor een Ziektewetuitkering af. Het bezwaar van werkneemster loopt nog. In deze procedure verzoekt werkneemster onder meer verklaringen voor recht dat FME het re-integratietraject niet zorgvuldig heeft ingericht en uitgevoerd, en rectificatie van haar re-integratiedossier. Daarnaast verzoekt zij een schadevergoeding op grond van onder meer artikel 7:658 BW en artikel 82 AVG, een billijke vergoeding en betaling van de Ziektewetuitkering. FME voert verweer en stelt onder meer dat werkneemster geen belang heeft bij de verklaringen voor recht en rectificaties.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Artikel 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Werkneemster heeft geen belang bij de gevorderde verklaringen voor recht en rectificaties. Niet valt in te zien wat een aanpassing in het re-integratiedossier nu nog zou kunnen opleveren. Ook op inhoudelijke gronden kunnen de verzochte verklaringen voor recht niet worden afgegeven. De inhoud en totstandkoming van de probleemanalyse behoren tot de verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts en niet van de werkgever. Werkneemster miskent dat FME als werkgever gehouden was het advies van de bedrijfsarts op te volgen en het plan van aanpak op te stellen, ook als werkneemster het niet eens was met de (medische) kwalificatie in de probleemanalyse. FME heeft daarmee gehandeld conform artikel 7:658a lid 3 BW. Verder wordt de rectificatie op grond van artikel 5 lid 1 sub d AVG afgewezen. Dat werkneemster het niet eens is met een dergelijke beoordeling van de bedrijfsarts, maakt deze op zichzelf niet tot een ‘onjuist gegeven’ in de zin van de AVG. De schadevergoeding op grond van artikel 7:658, 7:611, 6:162 en/of 6:106 BW wordt eveneens afgewezen. FME heeft niet gehandeld op een wijze die leidt tot aansprakelijkheid en werkneemster heeft niet voldaan aan haar stelplicht. Hetzelfde geldt voor de schadevergoeding op grond van artikel 82 AVG. Voor een billijke vergoeding op grond van artikel 7:673 lid 9 BW geldt een hoge drempel van ernstige verwijtbaarheid. Een werkgever is in beginsel niet verplicht een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te verlengen. Dat kan anders zijn bij uitzicht op een vast contract, maar de werkgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid. FME heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de niet-verlenging is gebaseerd op het functioneren en op samenwerkingsproblemen die al vóór de ziekmelding bestonden. Uit niets blijkt dat de arbeidsongeschiktheid daarbij een rol speelde. De hoogte van de billijke vergoeding is bovendien onvoldoende onderbouwd. Het verzoek om een Ziektewetuitkering wordt ten slotte ook afgewezen. Dit recht is een publiekrechtelijk recht. Het UWV beslist over de toekenning en de rechtsbescherming loopt via de bestuursrechtelijke weg. De verzoeken worden afgewezen. Werkneemster wordt in de proceskosten veroordeeld.
