Naar boven ↑

Rechtspraak

De OR van ExxonMobil/ ESSO Nederland B.V. en ExxonMobil Chemical Holland B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 10 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:11738
Einduitspraak. Werkgever wordt veroordeeld om voldoende financiering beschikbaar te stellen aan het pensioenfonds om een aanvullende indexatie te kunnen verlenen.

Feiten

Bij tussenbeschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat de ondernemingsraad van ExxonMobil in Nederland (hierna: de ondernemingsraad), die met Esso Nederland B.V. en ExxonMobil Chemical Holland B.V. (hierna: ExxonMobil) afspraken over onder meer pensioen heeft gemaakt, op grond van artikel 36 lid 2 WOR een kwestie over naleving van een pensioenindexatieafspraak kan voorleggen. De ondernemingsraad verzoekt de kantonrechter om Exxonmobil te veroordelen om voldoende financiering beschikbaar te stellen zodat het bestuur van het pensioenfonds een aanvullende indexatie kan verlenen. ExxonMobil stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter verklaart voor recht dat de tussen partijen gemaakte indexatieafspraak zo moet worden uitgelegd dat ExxonMobil zich heeft verbonden te streven naar een indexatie van 90% van de stijging van de afgeleide CPI, gemaximeerd op de loonsverhoging van de, althans zodanig te indexeren dat de ontwikkelingen van de pensioenen niet uit de pas gaan lopen met de ambitie. Het ‘aanvullende deel’ van de indexatieregeling is bedoeld om, als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de indexatieambitie door toepassing van het ‘formuledeel’ niet gehaald dreigt te worden, bij te sturen. Wat ExxonMobil in de (aanvullende) akte heeft aangevoerd is geen reden om terug te komen op wat in de tussenbeschikking is beslist over het voorwaardelijke karakter van de indexatieafspraak. Naar het oordeel van de kantonrechter is het aanvullende deel echter niet bedoeld om in alle situaties waarin bij enkele toepassing van het ‘formuledeel’ de ambitie van 90% niet gehaald dreigt te worden, bij te sturen. Dit is alleen aan de orde als er sprake is van bijzondere omstandigheden. De kantonrechter verklaart voor recht dat als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de indexatieambitie door toepassing van het ‘formuledeel’ niet gehaald dreigt te worden, ExxonMobil niet zonder nadere motivering kan afzien van toepassing van het aanvullende deel van de indexatieregeling. De kantonrechter komt hiermee terug van wat hierover in de tussenbeschikking is overwogen. Daarin staat namelijk dat de verklaring voor recht niet toewijsbaar is, omdat de afspraak over het ter beschikking stellen van aanvullende compensatie niet zo ‘hard’ is, dat hieruit moet volgen dat die aanvullende compensatie zou moeten leiden tot volledige indexatie conform de ambitie. De kantonrechter is bij de verdere beoordeling van de zaak tot het inzicht gekomen dat dit eerdere tussenoordeel op deze manier genuanceerd moet worden. ExxonMobil moet dus als er sprake is van zulke bijzondere omstandigheden, deugdelijk uitleggen waarom zij het aanvullende deel niet toepast. Dat betekent niet dat ExxonMobil altijd een indexatie van 90% van de stijging van de afgeleide CPI moet geven. Het toewijzen van deze verklaring voor recht strookt ook met het oordeel in de tussenbeschikking dat het zonder deugdelijke motivering niet toepassen van het aanvullende deel in strijd is met de afspraak tussen partijen en met het goed werkgeverschap. De kantonrechter zal voor recht verklaren dat ExxonMobil, door eerder zonder nadere motivering het aanvullende deel niet toe te passen, in strijd heeft gehandeld met het goed werkgeverschap. Dat ExxonMobil een weging heeft gemaakt tussen indexering en continuïteit en werkgelegenheid op lange termijn is geen toerekende motivering om te verklaren waarom ExxonMobil ten aanzien van de indexatie heeft gehandeld zoals zij heeft gedaan. Van ExxonMobil mag verwacht worden dat zij met (meer) onderbouwing komt waaruit blijkt dat de continuïteit en werkgelegenheid in de knel komen als ExxonMobil een aanvullende indexatie zou toekennen. De kantonrechter veroordeelt ExxonMobil om voldoende financiering beschikbaar te stellen, zodanig dat het bestuur van het pensioenfonds kan overgaan tot een aanvullende indexatie van 5,82% per 1 oktober 2026. De kantonrechter vindt het redelijk om voor de hoogte van de compensatie aansluiting te zoeken bij de manier waarop ExxonMobil in 2011 het aanvullende deel heeft toegepast. Dat was het enige jaar waarin bij toepassing van het ‘formuledeel’ de ambitie van 90% ook niet gehaald werd. Omdat de lonen niet werden verhoogd, zou er in 2011 volgens het formuledeel geen indexatie verleend worden, maar ExxonMobil heeft toen alsnog een indexatie verleend van 1,3%. Als deze lijn wordt doorgetrokken naar de huidige indexatieachterstand van 7,86% (ten opzichte van de ambitie van 90%) over de periode 2021-2024, dan leidt dit tot een aanvullende indexatie van 5,82%. De kantonrechter bepaalt dat ExxonMobil de financiering voor de indexatie beschikbaar moet stellen uiterlijk twee maanden nadat het pensioenfonds aan ExxonMobil opgave heeft gedaan van het daarvoor benodigde bedrag. Als ExxonMobil na afloop van deze termijn van twee maanden in gebreke blijft om aan deze verplichting te voldoen, moet zij een dwangsom betalen van € 100.000 voor iedere dag dat de overtreding na die twee maanden voortduurt, met een maximum van € 1.000.000. De kantonrechter vindt het belang van de gepensioneerden om dit vonnis meteen te kunnen laten uitvoeren zwaarder wegen dan het belang van ExxonMobil dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. De kantonrechter laat in het bijzonder meewegen dat de ondernemingsraad onweersproken heeft aangevoerd dat hoe langer de procedure duurt, hoe minder deelnemers nog aanspraak kunnen maken op de indexatie. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken, nu de wet een regeling bevat voor kosten van de OR en niet om een proceskostenveroordeling is verzocht.