Naar boven ↑

Rechtspraak

de ondernemingsraad van ExxonMobil in Nederland/ESSO Nederland B.V. en ExxonMobil Chemical Holland B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 4 mei 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:5176
De OR kan op grond van artikel 36 lid 2 WOR een kwestie over naleving van een pensioenindexatieafspraak aan de kantonrechter voorleggen.

Feiten
De ondernemingsraad van ExxonMobil in Nederland (hierna: de ondernemingsraad) maakt met Esso Nederland B.V. en ExxonMobil Chemical Holland B.V. (hierna: ExxonMobil) afspraken over arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioen. In 2005 hebben partijen een afspraak gemaakt over indexatie van de pensioenen van gepensioneerden. Afgesproken is een voorwaardelijke indexatie met de ambitie om jaarlijks te verhogen met 90% van de afgeleide CPI, gemaximeerd tot de loonsverhoging van actieve werknemers. Daarnaast kan ExxonMobil bij bijzondere omstandigheden extra middelen beschikbaar stellen voor aanvullende indexatie. Tot en met 2020 werd de indexatieambitie steeds gehaald. In de jaren 2021 tot en met 2024 bleef de indexatie achter. In 2021 werd geen indexatie toegekend, in 2022 en 2023 was de indexatie lager dan 90% van de afgeleide CPI en in 2024 kregen gepensioneerden helemaal geen indexatie omdat de afgeleide CPI negatief was. Actieve werknemers kregen in 2024 wel een loonsverhoging van 7%, mede als compensatie voor beperkte loonstijgingen in eerdere jaren. De ondernemingsraad verzoekt onder meer verklaringen voor recht dat ExxonMobil de indexatieafspraak onjuist heeft toegepast, in strijd heeft gehandeld met goed werkgeverschap en gehouden is financiering beschikbaar te stellen voor compensatie van gemiste indexatie over 2021 tot en met 2024.

Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.

De ondernemingsraad kan het geschil aan de kantonrechter voorleggen. Partijen hebben afgesproken dat de ondernemingsraad met ExxonMobil onderhandelt over arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioen. De ondernemingsraad kan daarom op grond van de WOR naleving van deze afspraak vragen. De indexatieafspraak moet zo worden uitgelegd dat ExxonMobil zich heeft verbonden te streven naar indexatie van 90% van de afgeleide CPI, gemaximeerd tot de loonsverhoging van actieven. Het aanvullende deel van de regeling is bedoeld om bij te sturen wanneer toepassing van de formule in bijzondere omstandigheden tot een ongewenste uitkomst leidt. Uit de stukken, waaronder verslagen en correspondentie uit 2005-2007, volgt dat dit aanvullende deel juist bedoeld was om de indexatieambitie zo veel mogelijk waar te maken.

Volgens de kantonrechter deden zich in 2021-2024 bijzondere omstandigheden voor. De gepensioneerden liepen achter bij de indexatieambitie, terwijl actieve werknemers in 2024 een uitzonderlijk hoge loonsverhoging kregen. ExxonMobil had daarom het aanvullende deel van de regeling moeten toepassen of ten minste deugdelijk moeten motiveren waarom zij dat niet deed. Dat heeft zij niet gedaan. Door geen aanvullende financiering beschikbaar te stellen en dit onvoldoende te motiveren, heeft ExxonMobil in strijd gehandeld met de gemaakte afspraken en met goed werkgeverschap. De verzoeken van de ondernemingsraad zijn echter nog niet in hun huidige vorm toewijsbaar, omdat niet vaststaat dat ExxonMobil volledige compensatie tot 90% van de CPI moet bieden. De ondernemingsraad krijgt gelegenheid zijn verzoeken nader te concretiseren; ExxonMobil mag daarop reageren. De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.