Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 25 september 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:10118
Kort geding. Loonvorderingen werkneemster toegewezen, voldoende aannemelijk dat gelet op verrichten werkzaamheden, loonbetalingen en instructies sprake is van een verlengde arbeidsovereenkomst.

Feiten

Werkneemster is tussen 1 oktober en 31 december 2025 in dienst geweest bij werkgeefster op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de functie van eventmedewerkster en managementondersteuning. Werkneemster stelt dat een aansluitende arbeidsovereenkomst tot en met 30 september 2026 is gesloten. Zij vordert, onder meer, achterstallig loon. Werkgeefster stelt dat het contract niet verlengd is maar dat werkneemster bij een andere vennootschap in dienst is getreden.

Oordeel

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. In de aard van de vordering, een loonvordering, ligt het spoedeisend belang besloten. Nu werkgeefster het bestaan van een arbeidsovereenkomst heeft betwist, is het aan werkneemster om dit bestaan aannemelijk te maken. De ingebrachte arbeidsovereenkomst is niet ondertekend door werkgeefster. Dat de door werkgeefster aan werkneemster betaalde bedragen (van variërende omvang) leningen betreffen, is op geen enkele wijze aangetoond. Die terminologie is niet gebruikt, er is geen overeenkomst verstrekt en niet is duidelijk gemaakt waarom werkgeefster een ex-werkneemster een lening zou verstrekken. Er is sprake geweest van loon. Uit appverkeer volgt dat werkneemster als werknemer werd beschouwd door de directeur van werkgeefster. Uit de berichtenwisseling volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende dat werkneemster werkzaamheden heeft verricht. Nadat werkneemster zich in april 2026 ziek heeft gemeld, heeft werkgeefster zich druk gemaakt over het feit dat werkneemster wel bij een andere werkgever aan het werk bleef. Het feit dat werkgeefster hier verbolgen over was, strookt niet met de stelling dat er geen arbeidsovereenkomst bestaat. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is uit de betalingen die werkgeefster aan werkneemster heeft verricht, het toesturen van een arbeidscontract, het appverkeer over het werk, en het feit dat werkgeefster er verbolgen over was dat werkneemster wel bij haar andere werkgever bleef werken terwijl zij zich bij werkgeefster had ziekgemeld, voldoende aannemelijk geworden dat het dienstverband tussen partijen met ingang van 1 januari 2026 met negen maanden is verlengd. De op dit dienstverband gebaseerde loonvorderingen komen de voorzieningenrechter niet onrechtmatig voor en zijn daarom in kort geding toewijsbaar. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.