Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 31 augustus 2026
ECLI:EU:C:2026:723
Feiten
Werknemers stellen zich op het standpunt dat de hoogste nationale rechter een gekwalificeerde schending van Unierecht heeft begaan, door geen prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van het begrip 'overgang van een vestiging'. De aanleiding van het geschil was de ontbinding van een vennootschap AIA waaruit de moedermaatschappij TAP een aantal zaken had overgenomen om vervolgens activiteiten te ontplooien. Volgens de nationale instanties was er geen sprake van een overgang van onderneming. Met zijn eerste tot en met derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of een lidstaat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een voldoende gekwalificeerde schending van artikel 1 lid 1 Richtlijn 77/187/EEG of artikel 1 lid 1 Richtlijn 2001/23/EG door een rechterlijke instantie van die lidstaat waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, zoals de uitlegging die de Supremo Tribunal de Justiça in zijn arrest van 25 februari 2009 heeft gegeven, als gevolg van een combinatie van uitleggingsfouten met betrekking tot de relevante bepaling, en het feit dat deze rechterlijke instantie haar verplichting om krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU een prejudiciële vraag te stellen, niet is nagekomen.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Gekwalificeerde schending van Unierecht door onjuiste toepassing, verzuim van prejudiciële vragen, wetende dat een soortgelijke kwestie aanhangig was bij het Hof van Justitie
Met betrekking tot de voorwaarden voor die aansprakelijkheid heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat benadeelde particulieren recht hebben op schadevergoeding wanneer aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan, te weten dat het geschonden Unierechtelijk voorschrift ertoe strekt hun rechten toe te kennen, dat het om een voldoende gekwalificeerde schending van dat voorschrift gaat en dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen deze schending en de door de particulieren geleden schade (zie in die zin HvJ EG 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93, ECLI:EU:C:1996:79, punt 51; HvJ EU 22 december 2022, Ministre de la Transition écologique en Premier ministre (staatsaansprakelijkheid voor luchtverontreiniging), C-61/21, ECLI:EU:C:2022:1015, punt 44; en HvJ EU 18 december 2025, Hamoudi/Frontex, C-136/24 P, ECLI:EU:C:2025:977, punt 68).
In casu is voldaan aan de eerste voorwaarde voor aansprakelijkheid van een lidstaat wegens schending van het Unierecht, aangezien duidelijk is dat artikel 1 lid 1 Richtlijn 77/187/EEG en artikel 1 lid 1 Richtlijn 2001/23/EG ertoe strekken werknemers rechten toe te kennen.
Met betrekking tot de tweede voorwaarde voor aansprakelijkheid van een lidstaat wegens schending van het Unierecht, te weten het vereiste van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht, moet rekening worden gehouden met de specifieke aard van de rechterlijke functie alsook met de gerechtvaardigde eisen van rechtszekerheid. Aldus kan de staat, voor schending van het Unierecht door een beslissing van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, slechts aansprakelijk worden gehouden in het uitzonderlijke geval waarin de rechter het toepasselijke recht kennelijk heeft geschonden (HvJ EG 30 september 2003, Köbler, C-224/01, ECLI:U:C:2003:513, punt 53). Om te bepalen of aan deze voorwaarde is voldaan, moet de nationale rechter bij wie een schadevordering aanhangig is, rekening houden met alle elementen die de aan hem voorgelegde situatie kenmerken, onder meer de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de omvang van de beoordelingsmarge die de geschonden regel de nationale autoriteiten of de autoriteiten van de Unie laat, de vraag of al dan niet opzettelijk een schending is begaan of schade is veroorzaakt, de vraag of een eventuele onjuiste rechtsopvatting al dan niet verschoonbaar is, de vraag of de handelwijze van een instelling van de Europese Unie heeft kunnen bijdragen tot het verzuim, de vaststelling of de instandhouding van met het Unierecht strijdige nationale maatregelen of praktijken, alsook met het feit dat de betrokken rechter zijn verplichting heeft verzuimd om krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU een prejudiciële vraag te stellen (zie in die zin Köbler, punten 54 en 55, en HvJ EU 28 juli 2016, Tomášová, C-168/15, ECLI:EU:C:2016:602, punten 25 en 26).
De niet-nakoming van de verwijzingsplicht door een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep vormt een element waarvan het belang varieert naargelang van de specifieke omstandigheden van het geval.
Hoewel de niet-nakoming van de verwijzingsplicht kan bijdragen tot de vaststelling dat een dergelijke rechterlijke instantie het Unierecht kennelijk heeft geschonden, volstaat dit op zichzelf immers niet om vast te stellen dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een Unierechtelijk voorschrift dat ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen, en bijgevolg evenmin om een lidstaat aansprakelijk te stellen. Die verplichting moet worden gezien in het kader van de rechterlijke samenwerking tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten, die plaatsvindt door middel van een dialoog van rechter tot rechter. Deze samenwerking heeft tot doel enerzijds de coherentie, de volle werking en het eigen karakter van het Unierecht alsook de autonomie van de rechtsorde van de Unie, waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, te waarborgen en anderzijds de juiste toepassing en de eenvormige uitlegging van het Unierecht te verzekeren. Deze samenwerking maakt het met name mogelijk te voorkomen dat zich in een lidstaat nationale rechtspraak ontwikkelt die niet strookt met de regels van het Unierecht (zie in die zin HvJ EG 1 december 1965, Schwarze, 16/65, ECLI:EU:C:1965:117, blz. 1117; HvJ EG 24 mei 1977, Hoffmann-La Roche, 107/76, ECLI:EU:C:1977:89, punt 5; HvJ EU 15 oktober 2024, KUBERA, C-144/23, ECLI:EU:C:2024:881, punten 33 en 35; en HvJ EU 24 maart 2026, Remling, C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243, punten 19 en 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Die samenwerking brengt dus mee dat de nationale rechterlijke instanties, met name die waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, en het Hof gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de eenvormige en coherente uitlegging van het Unierecht. Tevens zij eraan herinnerd dat het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties geen rechtsmiddel is ten behoeve van de partijen in een bij een nationale rechter aanhangig geschil. Het enkele feit dat een partij stelt dat het geschil een vraag van uitlegging van het Unierecht doet rijzen, is voor de betrokken rechter dan ook geen dwingende reden om aan te nemen dat die vraag is opgeworpen in de zin van artikel 267 VWEU (zie in die zin HvJ EU 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799, punten 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Hieruit volgt dat, om een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht te kunnen vaststellen die tot aansprakelijkheid van een lidstaat leidt, de niet-nakoming van de in artikel 267, derde alinea, VWEU opgenomen verwijzingsplicht gepaard moet gaan met de schending van een ander Unierechtelijk voorschrift dat ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen.
In casu blijkt uit de punten 1 en 2 van het dictum van het arrest Ferreira da Silva e Brito I dat het arrest van 25 februari 2009 zowel artikel 1 lid 1 Richtlijn 2001/23/EG heeft geschonden als de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verwijzingsplicht niet is nagekomen. In die omstandigheden moet worden onderzocht of de door de verwijzende rechter in dat arrest gehanteerde uitlegging van het Unierecht kan worden aangemerkt als een voldoende gekwalificeerde schending van dat recht. In dit verband zij eraan herinnerd dat een schending van het Unierecht in ieder geval voldoende gekwalificeerd is wanneer bij het nemen van de betrokken beslissing kennelijk wordt voorbijgegaan aan de desbetreffende rechtspraak van het Hof (Köbler, punt 56 en Tomášová, punt 26). Dit neemt niet weg dat de criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de lidstaten aansprakelijk zijn voor schade die aan particulieren is toegebracht door schendingen van het Unierecht, in beginsel door de nationale rechterlijke instanties moeten worden toegepast overeenkomstig de door het Hof voor deze toepassing verstrekte richtsnoeren (HvJ EG 1 juni 1999, Konle, C-302/97, ECLI:EU:C:1999:271, punt 59; Köbler, punt 100; zie ook in die zin Tomášová, punt 21, en HvJ EU 10 december 2020, Euromin Holdings (Cyprus), C-735/19, ECLI:EU:C:2020:1014, punt 70).
Concrete toepassing op de casus
Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, kan het Hof hem, in een geest van samenwerking met de nationale rechters, alle aanwijzingen geven die het noodzakelijk acht (zie HvJ EG 21 maart 1985, Celestri & C., 172/84, ECLI:EU:C:1985:137, punt 12; HvJ EG 1 juli 2008, MOTOE, C-49/07, ECLI:EU:C:2008:376, punt 30; en HvJ EU 19 maart 2026, Oblastní nemocnice Kolín, C-513/24, ECLI:EU:C:2026:214, punt 26). In dit verband zijn drie elementen die kenmerkend waren voor de vaststelling door de Supremo Tribunal de Justiça van het arrest van 25 februari 2009, doorslaggevend voor de beoordeling of dat arrest een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht vormt.
Onjuiste toepassing van bestaande rechtspraak
Uit de punten 68 tot en met 77 van het onderhavige arrest volgt dus dat het Hof lang vóór het wijzen van het arrest van 25 februari 2009 een beoordelingsmethode had vastgesteld voor het begrip ‘overgang van een onderneming of vestiging’ waarbij een onderscheid moest worden gemaakt naargelang de activiteit in de betrokken sector hoofdzakelijk op arbeidskrachten berustte dan wel, omgekeerd, op omvangrijke uitrusting. Het arrest van 25 februari 2009 bevat echter geen uitdrukkelijke verwijzing naar deze methode, noch gegevens op grond waarvan kan worden aangenomen dat de Supremo Tribunal de Justiça die methode daarin impliciet heeft toegepast. Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sector van het burgerluchtvervoer kennelijk behoort tot de sectoren die niet hoofdzakelijk op arbeidskrachten berustten, doordat zij omvangrijke uitrusting vereisen, getuigt dit van een miskenning van de rechtspraak van het Hof.
Schending verwijzigingsplicht
Rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, zijn in beginsel verplicht het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken. In combinatie met die verplichting houdt deze verantwoordelijkheid in dat een dergelijke nationale rechterlijke instantie, wanneer zij van oordeel is dat het antwoord op de voor haar opgeworpen vraag van Unierecht uit de rechtspraak van het Hof voortvloeit, slechts over een beperkte beoordelingsmarge beschikt. Die marge is beperkt tot de keuze om hetzij de eerder door het Hof gegeven uitlegging te volgen, hetzij het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken teneinde nadere verduidelijking te vragen of een bijstelling van de rechtspraak in overweging te geven. Een nationale rechterlijke instantie kan immers niet, zonder het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, uit eigen beweging afwijken van een uitlegging die het Hof eerder heeft gegeven aan een bepaling van Unierecht die van toepassing is op het bij haar aanhangige geding. Anders zou zij zowel afbreuk doen aan de bindende werking die prejudiciële arresten voor nationale rechterlijke instanties hebben wat betreft de uitlegging van de bepalingen van Unierecht waarop die arresten betrekking hebben (zie in die zin HvJ EG 3 februari 1977, Benedetti, 52/76, ECLI:EU:C:1977:16, punt 26; HvJ EG 11 juni 1987, X, 14/86, ECLI:EU:C:1987:275, punt 12; en HvJ EU 22 februari 2022, RS (gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C-430/21, ECLI:EU:C:2022:99, punt 74), als aan de logica van rechterlijke samenwerking die inherent is aan de prejudiciële procedure.
