Rechtspraak
Feiten
Mevrouw X (hierna: X) is personal trainer. Zij is in het verleden in dienst geweest bij fitnesscentrum De Club (hierna: De Club), en is na beëindiging van de arbeidsovereenkomst als zelfstandig personal trainer verdergegaan op de locatie van De Club. Zij maakt hierbij gebruik van de fitnessruimte, een groepsruimte en een kantoorruimte van De Club. Partijen hebben in januari 2021 een schriftelijke overeenkomst gesloten waarin staat dat zij een samenwerking aangaan en dat X per 1 februari 2020 haar werkzaamheden als zelfstandige voortzet binnen De Club. Ook staat daarin dat X maandelijks € 600 ‘vloergeld’ moet betalen en dat zij voor dit bedrag tijdens de openingstijden van De Club van ‘de ruimte’ gebruik mag maken. De Club heeft per brief van 21 juni 2026 aan X laten weten de samenwerking te willen beëindigen op een termijn van een maand, per 24 juli 2026. X heeft schriftelijk laten weten niet in te stemmen met beëindiging. Op 14 augustus 2026 is X de toegang tot de ruimtes ontzegd en moest zij haar sleutels inleveren. X vordert in kort geding toelating tot de ruimtes, een verbod voor De Club om haar opnieuw de toegang tot de ruimtes te ontzeggen en een voorschot op de door haar geleden en te lijden schade wegens inkomstenderving.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. X stelt dat er sprake is van een huurovereenkomst en dat haar ten onrechte de toegang tot de gehuurde ruimtes is ontzegd, waarmee haar spoedeisend belang gegeven is. De vorderingen gebaseerd op een huurovereenkomst worden afgewezen. Ten aanzien van de fitnessruimte is er geen sprake van huur, omdat X geen exclusief gebruik heeft van een specifieke zaak of gedeelte daarvan, maar binnen de openingstijden gebruik kan maken van de faciliteiten, die ook door reguliere leden worden gebruikt. Voor de groepsruimte geldt dat eventuele huurovereenkomsten telkens voor een dag of uur worden gesloten en na afloop daarvan zijn geëindigd. Ook ten aanzien van de kantoorruimte is er geen sprake van huur, omdat daarvoor geen vergoeding is overeengekomen. Wel is sprake van een duurovereenkomst. Deze kon door De Club worden opgezegd, maar de kantonrechter oordeelt dat een opzegtermijn van één maand te kort is, gelet op de jarenlang bestaande samenwerking en de door X opgebouwde klantenkring. Een opzegtermijn van vier maanden is redelijk, zodat de samenwerking per 1 november 2026 kan eindigen. De Club moet X daarom tot die datum toelaten tot de fitnessruimte, kantoorruimte en groepsruimte, waarbij voor de groepsruimte telkens afzonderlijke afspraken moeten worden gemaakt. Aan deze veroordeling wordt een dwangsom van € 250 per dag verbonden, met een maximum van € 25.000. Omdat De Club door de te korte opzegtermijn is tekortgeschoten in de nakoming van de duurovereenkomst, heeft X in beginsel recht op schadevergoeding. De exacte omvang van de schade kan in kort geding niet worden vastgesteld, maar de kantonrechter acht een schade van ten minste € 1.500 aannemelijk en wijst dit bedrag als voorschot toe. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.
