Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 1 september 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8487
Feiten
Eiser stelt per 6 maart 2026 in dienst te zijn getreden bij een van de gedaagden tegen een loon van € 100 per dag in de functie van magazijnmedewerker. Hij stelt dat hij een paar dagen heeft gewerkt tot hij een ongeval heeft gehad op het werk op 26 maart 2026. Hij heeft toen met een bestuurder en diens echtgenote afgesproken dat het loon werd € 2.200 netto per maand voor 16 uur per week. Op 8 april 2026 is aan eiser als voorschot € 500 betaald. Eiser stelt dat eventuele onduidelijkheid of hij in dienst is van de ene gedaagde of de andere gedaagde voor rekening van gedaagden komt en dat zij daarom beide hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vorderingen. Verder stelt eiser dat hij een spoedeisend belang heeft voor dit kort geding, omdat hij zonder het loon geen inkomen heeft. Gedaagden betwisten het bestaan van een dienstverband.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het spoedeisend belang is gegeven. Eiser heeft de rechtmatigheid van zijn vorderingen niet voldoende aannemelijk gemaakt. Er zijn geen stukken overgelegd voor het beweerdelijke dienstverband, behoudens een betalingsbewijs met de vermelding ‘voorschot’. Niet duidelijk is wat de grondslag voor de betaling was. Ook heeft eiser een WhatsAppconversatie overgelegd met een niet nader genoemde vertegenwoordiger van een van de gedaagden. Eiser en die vertegenwoordiger corresponderen over de betaling, maar wat de grondslag voor die betaling is, is niet af te leiden uit de correspondentie. Verder meldt eiser in de conversatie dat hij een uitkering wil aanvragen en dat hij daarvoor een contract van zijn vorige werk nodig heeft. De vertegenwoordiger antwoordt dat dit klopt en hij/zij nodigt eiser uit voor een afspraak. Welke afspraken er waren of nog werden gemaakt, volgt niet uit de conversatie. Eiser stelt dat hij mondeling afspraken heeft gemaakt met de bestuurder en later ook diens echtgenote. Volgens hem kunnen anderen daarover verklaren. Ook stelt hij dat hij een opname heeft van zijn gesprek met de bestuurder en diens echtgenote, waarin het loon werd aangepast naar € 2.200 netto per maand voor 16 uur per week. Die beweerdelijke verklaringen en opname heeft hij echter niet overgelegd. Aangezien de standpunten van partijen uiteenlopen en er geen stukken zijn waaruit blijkt dat het is gegaan zoals eiser stelt, is de relatie van partijen ten opzichte van elkaar niet duidelijk geworden. Het is daarom niet voldoende aannemelijk geworden dat de vorderingen van eiser in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Om duidelijkheid in dit geschil te verkrijgen zal nadere bewijslevering nodig zijn. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats. Eiser wordt in de proceskosten veroordeeld.
