Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 11 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:12105
Feiten
Werknemer is sinds 1989 in dienst bij werkgever. Op 10 december 2024 is werknemer twee jaar arbeidsongeschikt en eindigt de loondoorbetalingsverplichting. Daarna blijft een slapend dienstverband bestaan. De arbeidsovereenkomst eindigt per 1 mei 2025 met wederzijds goedvinden door middel van een vaststellingsovereenkomst. Werknemer vordert uitbetaling van het bij einde dienstverband resterende saldo aan vakantie- en ATV-dagen. In een tussenvonnis is al geoordeeld dat geen finale kwijting is verleend voor dit verloftegoed en werknemer daarvan geen afstand heeft gedaan.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Opbouw vakantiedagen tijdens slapend dienstverband
Werknemer heeft vanaf het einde van de loondoorbetalingsverplichting geen vakantiedagen meer opgebouwd. Op grond van artikel 7:634 lid 1 BW wordt alleen vakantie opgebouwd over de periode waarin recht op loon bestaat. De kantonrechter acht dit niet in strijd met artikel 31 lid 2 EU-Handvest. Tijdens een slapend dienstverband worden geen werkzaamheden meer verricht en bestaat er geen loonaanspraak of re-integratieverplichting, waardoor de recuperatiefunctie van vakantie haar doel verliest. Bovendien kan een arbeidsongeschikte werknemer tijdens vakantie zijn WIA- of WW-uitkering behouden. Werknemer heeft bij einde dienstverband nog recht op uitbetaling van veertien vakantiedagen en tien ATV-dagen. Dit komt neer op € 2.576,45 bruto respectievelijk € 1.840,32 bruto, inclusief vakantiegeld. Omdat werkgever het resterende verloftegoed niet tijdig heeft uitbetaald, is de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW verschuldigd. Deze wordt gematigd tot 10%. Ook de wettelijke rente van artikel 6:119 BW wordt toegewezen.
