Rechtspraak
Feiten
Gedaagde heeft een bedrijf dat werkzaamheden, zoals bestratingswerkzaamheden en rioleringswerkzaamheden, voor opdrachtgevers verricht. Eiser is via Spanje op 17 juni 2025 naar Nederland gekomen om te werken voor gedaagde. Hij is bij gedaagde ingetrokken en heeft bestratingswerkzaamheden verricht voor/via gedaagde. Gedaagde en eiser spraken met elkaar af dat eiser € 30 (netto) per (gewerkt) uur zou krijgen van gedaagde. Gedaagde vertelde aan eiser dat hij zich als zelfstandige moest inschrijven bij de Kamer van Koophandel en dat hij op basis van facturen betaald zou krijgen van gedaagde. Eiser deed dat en verstuurde facturen aan gedaagde. Eiser heeft ongeveer zes weken gewerkt voor gedaagde en is op een gegeven moment vertrokken uit de woning van gedaagde. In november 2025 is eiser teruggekeerd naar Costa Rica. Eiser eist in deze procedure dat gedaagde veroordeeld wordt aan hem te betalen achterstallig loon van € 2.704 (netto) met vakantietoeslag over de periode vanaf medio juni tot en met medio augustus 2025 en een totaalbedrag van € 15.600 (netto) over de periode vanaf medio augustus tot en met medio november 2025, met wettelijke verhoging en rente.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is in geschil of er sprake was van een arbeidsovereenkomst van partijen of dat eiser op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden verrichtte voor gedaagde. Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven, omdat de loonvordering van eiser niet toewijsbaar is, of er nu sprake is van een arbeidsovereenkomst of niet. ls er sprake geweest van een arbeidsovereenkomst voor de duur van vijf maanden, zoals eiser heeft gesteld, dan moet gedaagde het loon van eiser ook over de periode dat hij niet heeft gewerkt in beginsel uitbetalen, tenzij het niet werken door eiser in redelijkheid voor zijn rekening dient te komen (artikel 7:628 BW). Naar het oordeel van de kantonrechter is dit laatste het geval, als er al sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Het is immers duidelijk geworden dat eiser na onenigheid tussen partijen uit de woning van gedaagde is vertrokken en vervolgens geen werkzaamheden voor gedaagde heeft verricht, terwijl uit niets blijkt dat eiser in die periode nog beschikbaar was voor werk in opdracht van gedaagde. In ieder geval is niet gebleken dat hij zich na medio augustus nog beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van werkzaamheden voor gedaagde. Daarom komt in dit geval het niet verrichten van werkzaamheden vanaf medio augustus 2025 in redelijkheid voor rekening van eiser. Als de werkzaamheden zouden zijn verricht op basis van een overeenkomst van opdracht, dan heeft eiser niet aan zijn stelplicht voldaan. Hij heeft bijvoorbeeld niet uitgelegd waarom hij meent dat de overeenkomst na medio augustus 2025 is voortgezet en ook niet waarom hij recht zou hebben op loon over de periode dat hij geen werkzaamheden heeft verricht.
