Naar boven ↑

Rechtspraak

eiser/gedaagde
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 21 augustus 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:5163
Kort geding. Onvoldoende aannemelijk dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond, nu eiser zich als ondernemer heeft gedragen door onder meer gedurende aantal periodes te vertrekken voor andere werkzaamheden.

Feiten

Eiser heeft een eenmanszaak. Sinds 2016 verricht hij werkzaamheden voor gedaagde. Hij factureert de door hem gewerkte uren wekelijks. Na het overlijden van de eigenaar van gedaagde als gevolg van een ongeval heeft eiser de werkzaamheden van de voormalig eigenaar overgenomen. Tot een overname is het niet gekomen. Eiser is in de lente van 2026 enkele weken naar Aruba gegaan voor een opdracht. In de zomer heeft eiser datzelfde wederom gedaan. Op 9 juli 2026 is eiser door gedaagde verzocht een verstrekte lening van € 25.000 terug te betalen. Eiser heeft toegezegd dit bedrag te voldoen. Eiser vordert een bedrag van ca. € 10.000 aan achterstallig loon. Gedaagde vordert, onder meer, een veroordeling van eiser tot terugbetaling van de lening, afgifte van bedrijfseigendommen en een gebod om vertrouwelijke informatie te vernietigen.

Oordeel

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Er is sprake van een spoedeisend belang nu het om een loonvordering gaat. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure niet aannemelijk geworden dat eiser zijn werkzaamheden “in dienst van” gedaagde verrichtte. Nog daargelaten dat gedaagde, onder verwijzing naar diverse door haar overgelegde verklaringen, heeft betwist dat eiser de voorbije jaren alleen voor haar werkzaamheden uitvoerde, geldt dat eiser om hem moverende redenen aanleiding heeft gezien om (vanuit zijn eenmanszaak) een omvangrijke klus op Aruba aan te nemen die maakt dat hij daar met tussenpozen telkens een periode van enkele weken werkzaam moet zijn én op 29 juni 2026 een nieuw bedrijf heeft opgericht. Daarmee heeft hij zich gedragen als ondernemer, waarbij het door hem aangenomen werk bovendien in de weg staat aan het verrichten van werkzaamheden voor gedaagde. Dat hij hiervoor toestemming heeft gekregen, is wel gesteld, maar niet onderbouwd. Hoe een en ander zich verhoudt tot (het bestaan van) een gezagsverhouding valt niet in te zien. Dit betekent dat de loonvordering en de daarmee samenhangende vorderingen worden afgewezen. Gedaagde vordert terugbetaling van een aan eiser verstrekte lening van € 25.000. Nu eiser heeft erkend dat hij dit bedrag heeft geleend en dat hij dit moet terugbetalen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding minder hoge eisen te stellen aan het vereiste spoedeisend belang. Daarbij is de gestelde financiële situatie in aanmerking genomen, afgezet tegen de toezegging van eiser dat hij zal betalen. De vordering zal dan ook worden toegewezen, evenals de wettelijke rente, nu is gesteld noch gebleken dat partijen een rente hebben afgesproken. Nu niet is geconcretiseerd welke bedrijfseigendommen eiser precies zou moeten inleveren en niet vaststaat wie de eigenaar is, wordt de vordering met betrekking tot de bedrijfseigendommen afgewezen. De vordering om eiser te veroordelen informatie te verschaffen en rekening en verantwoording af te leggen is onvoldoende onderbouwd en wordt afgewezen. Nu niet is betwist en niet is vast komen te staan dat eiser conceptjaarrekeningen van gedaagde aan een adviseur heeft verstrekt, wordt de vordering vertrouwelijke informatie te retourneren dan wel te vernietigen afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.