Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 10 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:10513
Feiten
Werknemer is per 15 november 2020 in dienst getreden bij DELTA Fiber Nederland B.V. (hierna: DELTA). Als gevolg van een reorganisatie is zijn functie per 1 juni 2023 vervallen. Werknemer was toen arbeidsongeschikt. Toen hij hersteld was, heeft DELTA een ontslagvergunning bij het UWV ingediend, die is afgewezen. Enkele maanden later heeft DELTA wederom toestemming aan het UWV verzocht, die is afgewezen. Volgens DELTA heeft werknemer in de eerste procedure bij het UWV een door hem zelf aangepast bewijsstuk ingediend en daarmee onjuiste of valse informatie verstrekt, waardoor de verzochte toestemming is geweigerd. Dit betrof een vacature waar werknemer bij de functietitel de woorden ‘HBO/medior’ heeft toegevoegd. DELTA verzoekt ontbinding op, onder meer, de e- en subsidiair de a-grond. Ook verzoekt DELTA een schadevergoeding van ca. € 43.000 van werknemer omdat hij bij de UWV-procedure onrechtmatig zou hebben gehandeld waardoor DELTA schade zou hebben geleden.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat DELTA op 20 maart 2024 een vacature heeft uitgezet en dat de vacaturetekst in eerste instantie zodanig was opgesteld dat daaruit volgde dat het ging om een senior functie (functieniveau WO). Ook staat vast dat DELTA de vacaturetekst heeft aangepast. Een van die aanpassingen hield in dat, daar waar in de oorspronkelijke vacaturetekst vermeld was dat voor de functie ‘WO werk- en denkniveau’ vereist was, dit door DELTA gewijzigd is in ‘HBO/WO werk- en denkniveau’. DELTA heeft uitgelegd dat zij dit heeft gedaan, omdat de oorspronkelijke vacaturetekst geen geschikte kandidaten opleverde en zij hoopte door deze wijziging meer en betere kandidaten aan te trekken. Volgens DELTA zou het echter nooit de bedoeling zijn geweest om het functieniveau te verlagen. De kantonrechter oordeelt dat de bedoelingen die DELTA had bij de vacature niet duidelijk blijken uit de tekst van de e-mail die daaromtrent naar werknemer is gezonden. De kantonrechter vindt het niet onbegrijpelijk dat werknemer meende te kunnen afleiden dat de vacature op een HBO/medior-niveau functie zag. Dat werknemer de functietitel met deze woorden heeft uitgebreid verdient niet de schoonheidsprijs, maar levert geen verwijtbaar handelen op. De kantonrechter merkt overigens op dat DELTA pas in deze procedure een punt lijkt te hebben gemaakt van de door werknemer ingediende, aangepaste, vacaturetekst. Noch in de correspondentie met werknemer na de eerste beslissing van het UWV, noch in de tweede aanvraag bij het UWV, wordt daarvan melding gemaakt. Dat is temeer opvallend, omdat DELTA na de eerste beslissing van het UWV het onderwerp herplaatsing nogmaals met werknemer heeft besproken. In geval van evidente verwijtbaarheid had het voor de hand gelegen dat DELTA dat eerder aan werknemer kenbaar zou hebben gemaakt. Hoewel DELTA in beginsel ontvankelijk is in haar verzoek om ontbinding op de a-grond, kan dit verzoek niet inhoudelijk behandeld worden. Het had op de weg van DELTA gelegen om het verzoekschrift binnen twee maanden na de eerste weigering van het UWV van 3 oktober 2025 in te dienen. Het tweede verzoek aan het UWV was namelijk immers inhoudelijk nagenoeg gelijkluidend aan het eerste verzoek en bevatte geen nieuwe feiten. Als in dit geval het verzoek om ontbinding op de a-grond inhoudelijk zou worden beoordeeld, zou daarmee feitelijk de in artikel 7:686a lid 4 onder d BW genoemde vervaltermijn worden doorkruist. Dat zou namelijk tot gevolg hebben dat, als men na het weigeren van toestemming door het UWV de vervaltermijn van twee maanden laat verstrijken, dit te allen tijde hersteld zou kunnen worden door alsnog een tweede, identieke aanvraag in te dienen en vervolgens, na een nieuwe weigering van het UWV, alsnog binnen twee maanden een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen. Dat zou de genoemde vervaltermijn illusoir maken en dat verdraagt zich naar het oordeel van de kantonrechter niet met de strekking van het hiervoor genoemde wetsartikel. Van een inhoudsloos geworden en/of lege huls-arbeidsovereenkomst is geen sprake. Dat er geen functie beschikbaar is voor werknemer heeft kennelijk met bedrijfseconomische omstandigheden te maken; dat betreft echter een mogelijke a-grond en geen h-grond. Dat partijen een andere visie op de gebeurtenissen rond de vacature hebben, brengt niet mee dat er sprake is van een ernstige verstoring van de arbeidsvernouding. Van DELTA had minstens verwacht mogen worden dat zij zich had ingespannen om de vertroebelde relatie te verbeteren. DELTA heeft niet of nauwelijks toegelicht om welke reden de combinatie van de onvoldragen gronden de ontbinding toch rechtvaardigt. Het handelen van werknemer rond de vacaturetekst kwalificeert niet als verwijtbaar en evenmin als onrechtmatig. Nog los hiervan staat een causaal verband tussen het handelen van werknemer rond de vacaturetekst en de afwijzing van de ontslagvergunning door het UWV niet vast. DELTA wordt in de proceskosten veroordeeld.
