Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 10 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8965
Feiten
Werkneemster is per 4 maart 2024 in dienst getreden bij werkgever in de functie van beautyprojectmanager. Tussen partijen is discussie ontstaan over de vraag of werkneemster naar Griekenland mocht verhuizen en vanuit daar haar werkzaamheden mocht uitvoeren. Op 17 februari 2025 heeft werkneemster, nadat partijen er eerder niet uit waren gekomen, zich ziek gemeld. Op 23 februari 2025 is zij naar Griekenland afgereisd. Op 30 juni 2025 heeft werkneemster de arbeidsovereenkomst opgezegd. In de tussentijd heeft werkgever het salaris van werkneemster niet doorbetaald. Werkneemster vordert nabetaling van het betreffende salaris.
Oordeel
De regelrechter oordeelt als volgt. De loonvordering vanaf 18 maart 2025 tot en met 30 juni 2025 wordt afgewezen omdat de rechter van oordeel is dat werkgever terecht een loonstop heeft opgelegd. Werkgever heeft aangevoerd dat hij de ziekmelding van werkneemster van 17 februari 2025 nooit heeft kunnen verifiëren, maar nergens blijkt uit dat werkneemster is opgeroepen voor een onderzoek bij de bedrijfsarts. Als werkgever twijfelde aan de ziekmelding had dit wel op zijn weg gelegen. Het feit dat werkgever de ziekmelding nooit heeft geverifieerd, dient dan ook voor zijn eigen rekening en risico te komen. De rechter gaat als gevolg daarvan uit van de geldigheid van de ziekmelding en van de omstandigheid dat werkneemster haar arbeid niet heeft verricht in verband met ongeschiktheid als gevolg van ziekte. Dat betekent dat werkgever op grond van artikel 7:629 lid 1 BW in beginsel salaris verschuldigd is aan werkneemster, tenzij sprake is van een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 BW die haar van die verplichting ontheft. Wel is de kantonrechter van oordeel dat werkgever terecht is overgegaan tot het opleggen van een loonstop vanaf 18 maart 2025. Vaststaat dat werkneemster zonder toestemming van en in strijd met de instructies van werkgever is afgereisd naar Griekenland. Zij heeft werkgever niet geïnformeerd en heeft geen contactgegevens verstrekt. Werkgever heeft werkneemster niet telefonisch of via brieven naar haar Nederlandse adres kunnen bereiken. Van werkneemster mocht in de gegeven omstandigheden worden verwacht dat zij zich proactief zou opstellen en goed bereikbaar zou zijn. De enkele omstandigheid dat werkneemster twee e-mails heeft gestuurd over een periode van vijf en een halve maand waarin zij vraagt naar de status van het Arbotraject is, gelet op de geschetste omstandigheden, onvoldoende om aan te nemen dat zij zich beschikbaar heeft gehouden voor haar re-integratieverplichtingen richting zowel werkgever als de Arbodienst en zich daarin proactief heeft opgesteld. Daarnaast had het op de weg van werkneemster gelegen om een deskundigenverklaring in te brengen. De rechter is van oordeel dat de opgelegde loonstop niet ten onrechte is opgelegd. De loonvordering over 17 februari 2025 tot 18 maart 2025 wordt toegewezen, vermeerderd met een wettelijke verhoging ter omvang van 10% omdat vaststaat dat werkneemster zich vanaf 17 februari 2025 niet meer beschikbaar heeft gehouden. Werkgever heeft nog een eindafrekening overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat werkneemster nog een bedrag van € 5.812,86 aan hem verschuldigd is. Op grond daarvan stelt werkgever zich op het standpunt dat, voor zover de rechter oordeelt dat hij nog een bedrag aan werkneemster moet betalen, hij bevoegd is dit bedrag te verrekenen met het nog openstaande bedrag. De rechter gaat hieraan voorbij. Werkneemster heeft de juistheid van de eindafrekening betwist in die zin dat zij niet kan vaststellen of deze juist is. Nu werkgever niet ter zitting is verschenen, heeft hij ook zijn beroep op verrekening en de juistheid van de eindafrekening niet nader onderbouwd. Daarnaast geldt dat het beroep van werkgever op een hem toekomende gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:672 lid 11 BW niet kan slagen, omdat vorderingen die verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst, niet door de regelrechter in behandeling kunnen worden genomen. De proceskosten worden gecompenseerd.
