Naar boven ↑

Rechtspraak

bewindvoerder werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 16 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8587
Aan de eis van onverwijldheid is niet voldaan omdat werkgeefster te laat een onderzoek instelt en dit bovendien niet voortvarend uitvoert. Het ontslag op staande voet houdt daarom geen stand.

Feiten

Werkneemster is sinds 1 oktober 2024 bij werkgeefster in dienst als vakkracht/bedrijfsleidster. Op 23 juli 2025 wordt zij op staande voet ontslagen. Werkgeefster verwijt haar onder meer dat zij het café onbeheerd heeft achtergelaten, consumpties gratis heeft verstrekt, onbevoegden toegang heeft gegeven tot de kassa, producten uit de voorraad heeft meegenomen, het café na sluitingstijd geopend heeft gehouden, tijdens werktijd heeft gehandeld in sigaretten en onzorgvuldig is omgegaan met bedrijfseigendommen. Werkneemster betwist de verwijten grotendeels, berust in het ontslag en verzoekt onder meer een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. Werkgeefster stelt dat er sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft de arbeidsovereenkomst niet onverwijld opgezegd, omdat het onderzoek naar de vermeende dringende reden niet voldoende zorgvuldig en voortvarend is uitgevoerd. Hoewel werkgeefster al vanaf eind 2024 bekend was met kasverschillen en medio mei 2025 concrete vermoedens had van onder meer sigarettenhandel, is zij pas eind juni 2025 begonnen met het bekijken van de camerabeelden. Werkgeefster heeft onvoldoende toegelicht waarom zij daarmee heeft gewacht. Ook daarna heeft het onderzoek onnodig lang geduurd, terwijl niet is gebleken dat dit meer omvatte dan het bekijken van camerabeelden. Daarmee is niet voldaan aan de eis van onverwijldheid, zodat het ontslag op staande voet geen stand houdt. De kantonrechter komt daarom niet meer toe aan de beoordeling van de gestelde dringende reden. Aan werkneemster worden een billijke vergoeding van € 5.000 bruto, een transitievergoeding van € 754,33 bruto en een gefixeerde schadevergoeding van € 3.501,77 bruto toegekend. Ook de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Werkgeefster wordt veroordeeld in de proceskosten.