Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 16 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5290
Feiten
Werkneemster is per 1 juni 2025 in dienst getreden bij werkgever in de functie van officemanager. In februari 2026 is werkneemster een beëindigingsovereenkomst aangeboden, enkele dagen later is zij gesommeerd een klachtbrief te retourneren die zij op het kantoor van werkgever zou hebben meegenomen. Op 4 maart 2026 is werkneemster op staande voet ontslagen omdat zij op 4 maart 2026 ondanks een vrijstelling van werkzaamheden onaangekondigd op kantoor was verschenen en vanwege het op die dag meenemen van documenten met persoonsgegevens van cliënten. Werkneemster verzoekt, onder meer, betaling van een billijke vergoeding, een gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De discussie over onverwijldheid kan in het midden blijven, nu geen sprake is van een dringende reden. Toen werkneemster op kantoor kwam, heeft zij nog een gesprek gehad met de HR-manager. Als werkneemster nadrukkelijk niet op kantoor mocht verschijnen, had het op de weg van de maanger gelegen om werkneemster de toegang te weigeren dan wel haar te verzoeken het pand te verlaten. Dit is niet gebeurd, zodat het bezoek van werkneemster kennelijk niet onoverkomelijk bezwaarlijk was. Dat werkneemster documenten met cliëntgegevens heeft weggenomen wordt door haar betwist, terwijl niet kan worden vastgesteld dat dit wel is gebeurd. Nu een dringende reden ontbreekt, is de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opgezegd. De transitievergoeding wordt toegewezen. Ook de gefixeerde schadevergoeding ter omvang van ongeveer vier maandsalarissen wordt toegewezen. Uit de stukken blijkt dat werkgever niet tevreden was over de door werkneemster verrichte werkzaamheden en dat de verhouding tussen partijen daardoor verstoord is geraakt. Had werkgever een verzoekschrift ingediend, dan zou de arbeidsovereenkomst nog ongeveer vier maanden langer hebben geduurd. De kantonrechter vindt het passend in dat kader in beginsel uit te gaan van een billijke vergoeding van vier maandsalarissen, maar aangezien werkneemster reeds een gefixeerde schadevergoeding van die omvang ontvangt, wordt dit bedrag in mindering gebracht op de toe te kennen billijke vergoeding zodat deze uiteindeiljk wordt vastgesteld op nihil. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 25%. Werkgever wordt in de proceskosten veroordeeld.
