Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 11 juni 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:5188
Werkgeefster ontwijkt traject van disfunctioneren op oneigenlijke wijze en ontslaat werknemer in nijpende financiƫle situatie op staande voet. Toewijzing verzoek om billijke vergoeding.

Feiten

Werknemer is per 4 november 2024 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van sloper. Werknemer had naast dit dienstverband een eenmanszaak als glazenwasser. Eind 2024 heeft werknemer blijvend letsel opgelopen in zijn privésituatie, waardoor hij de eenmanszaak moest stopzetten. Door het kwijtraken van dit inkomen kon hij de lease voor de rolstoelbus van zijn dochter, die beperkingen heeft, niet meer betalen. Medio 2025 heeft werknemer zijn nijpende financiële situatie besproken met werkgeefster en haar verzocht om een lening of een voorschot op zijn loon. Werkgeefster heeft hiermee niet ingestemd. Op 12 januari 2026 is werknemer op staande voet ontslagen door werkgeefster. In de ontslagbrief geeft werkgeefster aan dat werknemer slecht functioneert en dat hier na waarschuwingen onvoldoende verbetering in is gekomen. Werknemer verzoekt een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Ontslag op staande voet is een uiterste maatregel, en het door werkgeefster geschetste beeld van disfunctioneren kwalificeert niet als een dringende reden die deze maatregel rechtvaardigt. De ontslagbrief van 12 januari is overigens vaag over het niet deugen van de taakvervulling door werknemer, en werknemer betwist hier ooit waarschuwingen over te hebben ontvangen of een reëel verbeterplan aangeboden te hebben gekregen. Waarom op 12 januari de maat vol was voor werkgeefster heeft zij niet nader toegelicht. Werknemer berust in het eindigen van de arbeidsovereenkomst op 12 januari 2026, wat betekent dat deze is opgezegd zonder inachtneming van de wettelijke opzegtermijn. De gefixeerde schadevergoeding wordt daarom toegewezen, met de wettelijke rente. De hoogte van deze vergoeding wordt bepaald ter hoogte van het loon dat verschuldigd zou zijn geweest als de arbeidsovereenkomst was opgezegd conform te wettelijke opzegtermijn, verhoogd met de vergoeding voor overwerk dat werknemer structureel verrichtte. De kantonrechter wijst ook de verzochte transitievegoeding toe met wettelijke rente. Tot slot kent de kantonrechter de billijke vergoeding toe. Ongeldig ontslag moet worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar handelen van werkgeefster. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt onder meer rekening gehouden met de inkomensschade die werknemer lijdt en met de gevolgen van het ontslag voor zover die toe te rekenen zijn aan het verwijt dat werkgeefster treft. Ook kan de kantonrechter meenemen op welke termijn werkgeefster de arbeidsovereenkomst op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen. Ontslag gebaseerd op disfunctioneren verlangt eerst het aanbieden van een verbetertraject. Voor de hand had gelegen dat dit enkele maanden in beslag zou hebben genomen. In het onzekere geval dat dit niet had gebaat zou het aanvragen van ontslag op die grond nog behoorlijk wat tijd in beslag kunnen nemen. Mogelijk had werknemer tot 4 november 2026 op een stabiel inkomen kunnen rekenen, anders dan het relatief onzekere werk dat hij nu verricht via een uitzendbureau. De kantonrechter overweegt ook dat werkgeefster op oneigenlijke wijze een traject van disfunctioneren uit de weg is gegaan. Hierbij speelt mee dat werknemer zich in een nijpende privésituatie bevond met financiële moeilijkheden en dit bij werkgeefster heeft aangekaart, en werkgeefster desondanks, op ongeldige grond, naar het uiterste middel van ontslag op staande voet heeft gegrepen. Het toewijzen van de gefixeerde schadevergoeding wordt meegenomen in de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding. De billijke vergoeding wordt bepaald op een bedrag gelijk aan het brutoloon over zes maanden, vermeerderd met de gemiddelde overwerkvergoeding en vakantietoeslag. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.