Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 1 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6791
Feiten
Werknemer is op 9 december 2024 bij FACT in dienst getreden. Vanaf de aanvang van zijn dienstverband bij FACT gebruikte werknemer zijn studenten-OV om naar FACT te reizen. Hij maakte daardoor geen reiskosten. In oktober 2025 heeft werknemer bij FACT een reiskostendeclaratie ingediend voor in september 2025 gemaakte reiskosten. FACT heeft werknemer gevraagd een kostenopgave te maken van de kosten van zijn auto. Werknemer heeft daarop onder meer aangegeven dat zijn auto een verbruik had van 1:9. FACT heeft erop gewezen dat dit verbruik hoger is dan het gemiddelde verbruik van dat type auto en om aanvullende informatie gevraagd. In de maanden daarna heeft werknemer ook reiskosten gedeclareerd voor de maanden tot en met december 2025. FACT heeft die reiskosten niet voldaan. Op 16 december 2025 heeft de gemachtigde van werknemer FACT gesommeerd de gedeclareerde reiskosten van september tot en met december 2025 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover. Op 24 december 2025 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. In het gespreksverslag staat onder meer dat FACT vermoedt dat de door werknemer opgegeven kostenopgave vanwege het hoge brandstofverbruik onjuist is, dat werknemer de gelegenheid is gegeven om de juistheid te onderbouwen door aanvullende informatie aan te leveren, dat hij dat niet heeft gedaan en dat FACT daarom vermoedt dat sprake is van vervalsing. Verder staat dat er is besproken dat het functioneren van werknemer onvoldoende is. Op 14 januari 2026 heeft FACT werknemer geschorst, werknemer heeft daartegen bezwaar gemaakt. In een e-mail van 21 januari 2026 ontslaat FACT werknemer met ingang van gisteren. Werknemer werkt sinds 23 februari 2026 bij een andere werkgever. Werknemer verzoekt om FACT te veroordelen tot onder meer betaling van een billijke vergoeding van € 55.853 bruto, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding.
Oordeel
Werknemer berust in het ontslag, maar maakt aanspraak op een aantal vergoedingen. De vergoedingen kunnen worden toegewezen als het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. In deze procedure moet daarom de vraag worden beantwoord of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. FACT heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke dringende reden zij ten grondslag heeft gelegd aan het gegeven ontslag op staande voet. Dat had wel op haar weg gelegen. Alleen daarom al is het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Voor zover FACT in dat kader heeft willen verwijzen naar de door haar op 21 januari 2026 gestuurde e-mail geldt het volgende. In die e-mail heeft FACT een aantal redenen gegeven op grond waarvan zij tot schorsing van werknemer was overgegaan. Daargelaten in hoeverre een schorsing op die gronden juridisch toelaatbaar was - dat ligt in deze procedure immers niet voor - geldt dat die gronden niet kwalificeren als dringende reden voor het rechtvaardigen van een ontslag op staande voet. Een ontslag op staande voet is immers een zeer ingrijpend middel, met vergaande consequenties voor de werknemer. Dat werknemer ondanks zijn schorsing volgens FACT ‘niet tot inzicht’ zou zijn gekomen, is evenmin voldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Daar komt bij dat voorzover FACT aan haar ontslag op staande voet dezelfde gronden ten grondslag heeft willen leggen als aan haar schorsing, FACT onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht dat zij het ontslag op staande voet onverwijld heeft gegeven. Zo heeft FACT niet toegelicht dat zij mede in het licht van de periode van schorsing voldoende voortvarend te werk is gegaan. De transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding zullen worden toegewezen, omdat de arbeidsovereenkomst door FACT (op onregelmatige wijze) is opgezegd. De kantonrechter ziet aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op nihil. Daarbij weegt mee dat de gevolgen voor werknemer van het verlies van zijn baan in dit geval beperkt zijn. Hij heeft vrij snel een nieuwe baan gevonden en bovendien ter zitting toegelicht dat hij vóór het gegeven ontslag op staande voet zelf al in vergaande gesprekken was met een nieuwe werkgever. Het dienstverband zou daarom naar verwachting hoe dan ook niet al te lang meer hebben geduurd. Ook weegt de kantonrechter mee dat, zoals hierna verder zal blijken, werknemer zelf ook een aandeel in het ontstane arbeidsconflict met FACT heeft gehad. De door werknemer verzochte veroordeling tot betaling van de gedeclareerde reiskosten wordt afgewezen.
