Rechtspraak
Feiten
Werkneemster is met ingang van 1 oktober 2002 in dienst getreden bij werkgever. Laatstelijk was zij werkzaam in de functie van opzichter ruimtelijk beheer op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Werkneemster verricht werkzaamheden op het gebied van faunabeheer, ongediertebestrijding en overige gemeentelijke taken waaronder begrafenissen. De Cao Gemeenten is van toepassing op de arbeidsovereenkomst. In 2022 hebben partijen schriftelijk afspraken gemaakt over de opname van verlof en de ingang van het vroegpensioen. Werkneemster zou vanaf 1 oktober 2024 verlof opnemen en daarna met vroegpensioen gaan; als uitgangspunt gold 1 april 2025. Later werd afgesproken dat zij nog acht uur per week zou blijven werken voor taken rond ongediertebestrijding en faunabeheer. Werkgever stelt zich op het standpunt dat het dienstverband per 25 mei 2025 is geëindigd en dat werkneemster haar verlof had moeten opnemen. Werkneemster is van mening dat het dienstverband niet per 5 mei 2025 was geëindigd en vordert onder meer doorbetaling van loon en uitbetaling van niet-opgenomen vakantiedagen. Werkgever vordert in reconventie onder meer een verklaring voor recht dat het dienstverband met ingang van 5 mei 2025 is beëindigd vanwege opzegging door werkneemster dan wel instemming met de beëindiging door werkgever dan wel op grond van een beëindigingsovereenkomst.
Oordeel
De kantonrechter past de (voortschrijdende toepassing van de) Haviltex-maatstaf toe. De kantonrechter stelt voorop dat het vertrekpunt voor de uitleg van de afspraak het door partijen in 2022 gesloten addendum bij de arbeidsovereenkomst is. Uit de tekst van het addendum leidt de kantonrechter af dat partijen hebben beoogd om het vroegpensioen van werkneemster – en daarmee het einde van het dienstverband – te laten ingaan met ingang van 1 april 2025. Dat is het genoemde uitgangspunt. Een “uitgangspunt” impliceert volgens de kantonrechter dat daarmee de uitkomst vastligt tenzij er nog veranderingen optreden. Ook hebben partijen afgesproken dat werkneemster voorafgaand aan de ingang van haar pensioen verlof zal opnemen. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben partijen afgesproken dat er een periode is – van 1 oktober 2024 tot 1 april 2025 – waarin werkneemster maximaal zes maanden verlof kan opnemen. Dat kan dus ook minder verlof zijn. Na 1 april 2025 gaat zij met pensioen, ongeacht de stand van haar verlofsaldo. Vervolgens maken partijen een nadere afspraak. Op enig moment heeft werkgever aan werkneemster laten weten dat als compensatie voor de werkzaamheden gedurende acht uur per week het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden opgeschoven naar 5 mei 2025. Gelet op de basisafspraak, de gewijzigde afspraken en de voortschrijdende uitleg van de overeenkomst, acht de kantonrechter 5 mei 2025 de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Partijen hebben niet afgesproken dat werkneemster voor het einde van de arbeidsovereenkomst (eerst 1 april 2025, later gewijzigd in 5 mei 2025) al haar vakantiedagen moest opnemen. Dat blijkt niet uit het addendum en ook niet uit wat partijen verder hebben aangevoerd. Werkneemster heeft dus geen afspraak geschonden op grond waarvan zij haar vakantieaanspraken zou hebben verspeeld. Ook heeft werkneemster naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat het haar feitelijk onmogelijk was de openstaande vakantie-uren op te nemen doordat werkgever haar bleef benutten voor het verrichten van arbeid. Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van niet genoten vakantiedagen. De vordering van werkgever tot betaling van de door hem geleden schade wegens tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst wordt afgewezen.
