Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 11 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3723
Tussenvonnis. Kantonrechter kan niet beoordelen of het ontslag op staande voet onverwijld is medegedeeld en of werkneemster heeft geslapen tijdens werktijd. Werkgeefster wordt toegelaten tot nadere bewijslevering.

Feiten

Werkneemster is per 20 augustus 2025 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van schoonmaakster, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Werkneemster is op staande voet ontslagen, nadat zij in de uitoefening van haar werkzaamheden slapend is aangetroffen. Werkgeefster heeft de dringende reden in deze procedure verder geconcretiseerd en gezegd dat werkneemster op 16 december 2025 tussen 18:00 en 19:00 uur, samen met een collega, slapend in een slaapzak is aangetroffen in een vergaderwagonnetje in de kantine. Werkneemster ontkent dat zij heeft geslapen tijdens werktijd. De arbeidsovereenkomst zou bovendien niet onverwijld zijn opgezegd, omdat werkgeefster pas op 5 januari 2026 tot ontslag op staande voet is overgegaan, terwijl op 16 december 2025 al zou zijn geconstateerd dat werkneemster lag te slapen tijdens werktijd. Werkneemster verzoekt om toekenning van een transitievergoeding, billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging als gevolg van het niet rechtsgeldige ontslag op staande voet.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De ontslagreden (slapen tijdens werktijd op de werkvloer) biedt voldoende duidelijkheid aan werkneemster om zich tegen te verweren. Niet is vereist dat werkgeefster in de ontslagbrief de dag en het tijdstip waarop werkneemster slapend is aangetroffen vermeldt. Dat geen namen worden genoemd van de betrokken personen en ook niets wordt gezegd over de locatie waar werkneemster is aangetroffen, maakt het ontslag evenmin ongeldig nu reeds aan de mededelingseis is voldaan. Alle overige, behoudens de in deze procedure verder geconcretiseerde, verwijten die werkgeefster achteraf nog heeft toegevoegd (over disfunctioneren, het aanspreken daarop en de structurele klachten daarover) blijven buiten beschouwing, omdat die redenen niet aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. Niet kan worden beoordeeld of het klopt dat de tot ontslag bevoegde functionaris van werkgeefster pas op 5 januari 2026 bekend is geworden met de vermeende dringende reden. De stelplicht en de bewijslast van de aanwezigheid van een geldige dringende reden rusten op werkgeefster. Aan de enkele verklaring die werkgeefster in deze procedure heeft overgelegd, kan daarnaast geen (doorslaggevende) waarde worden toegekend, omdat dit geen verklaring uit de eerste hand betreft van degene die het voorval heeft geconstateerd. Niet kan worden vastgesteld dat werkneemster slapend is aangetroffen tijdens werktijd. De kantonrechter kan dus ook nog niet beoordelen of er sprake is geweest van een dringende reden. Werkgeefster wordt toegelaten tot bewijslevering dat zij onverwijld tot ontslag is overgegaan en tot bewijslevering van de dringende reden. Dat werkneemster niet is gehoord betekent niet dat er geen sprake kan zijn van een dringende reden. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.