Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 25 november 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:3018
Feiten
Werkneemster is op 1 september 2017 in de functie van medewerkster Juridische Zaken in dienst getreden van de gemeente Rotterdam. De gemeente stelt zich op het standpunt dat werkneemster in haar functie tekort is geschoten op de aspecten tijdigheid, communicatie, en houding en gedrag. In het functioneringsgesprek van 19 november 2019 is dit voor het eerst aan werkneemster kenbaar gemaakt. Op 8 februari 2021 heeft wederom een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Uit het verslag blijkt dat de door werkneemster geuite bezwaren tegen de ‘belangrijke aandachtspunten’ met en door de gemeente zijn besproken. Op 1 juni 2021 heeft een vervolg plaatsgevonden op het gesprek van 8 februari 2021. Na het gesprek van 1 juni 2021 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Op 24 januari 2022 heeft de gemeente een verbeterplan aan werkneemster gestuurd. Op 8 februari 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkneemster en de gemeente over het functioneren van werkneemster. Vanaf 22 februari 2022 waren er tweewekelijks ‘afstemmomenten’ en evaluatiemomenten. In de procedure bij de kantonrechter heeft de gemeente verzocht de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden op grond van disfunctioneren. De kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen en de arbeidsovereenkomst tussen partijen op de d-grond ontbonden.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Werkneemster komt in hoger beroep op tegen de overwegingen en het oordeel van de kantonrechter dat er sprake is van een (voldragen) d-grond. Het hof verenigt zich met de overwegingen van de kantonrechter. In een periode van ruim twee jaar voorafgaand aan het verbeterplan heeft de gemeente werkneemster voldoende duidelijk in kennis gesteld van de verbeterpunten en haar voldoende gelegenheid geboden zich daarover uit te spreken en zich op die punten te verbeteren. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat hier sprake is van een geval waarin het ontbindingsverzoek op de d-grond geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod wegens ziekte betrekking heeft. In de periode van eind 2019 tot en met half 2022 was er kritiek op het functioneren van werkneemster. In die periode is werkneemster weliswaar enkele keren ziek geweest, maar onvoldoende aannemelijk is dat de ziekte van invloed is geweest op het functioneren. Daarnaast kan niet worden geconcludeerd dat werkneemster in het kader van de herplaatsing geen eerlijke kans is geboden en dat de gemeente haar herplaatsingsplicht heeft verzaakt. Het hof is verder van oordeel dat de kantonrechter het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:671b lid 9, aanhef en onder c, BW terecht heeft afgewezen. In de procedure bij de kantontrechter heeft werkneemster met het oog op de beoordeling van haar functioneren in 2021 een beroep gedaan op artikel 7:646 BW. Op grond van dit artikel mag de werkgever geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst, het verstrekken van onderricht aan de werknemer, in de arbeidsvoorwaarden, bij de arbeidsomstandigheden bij de bevordering en bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst. De stelling dat de gemeente er een groot probleem van maakte dat werkneemster in het gesprek van 17 december 2020 de salarisschalen en de werkdruk besprak, en dat de gemeente dit aangreep voor een slechte beoordeling op het punt van communicatie, is hiervoor onvoldoende. Het disfunctioneren in communicatie (en andere verbeterpunten) had de gemeente immers naar aanleiding van andere voorvallen daarvóór al gesteld.
