Rechtspraak
Feiten
Werknemer is per 2023 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van administrateur. Op 21 november 2025 is werknemer op staande voet ontslagen. De redenen die in de ontslagbrief ten grondslag worden gelegd aan het ontslag zijn (i) nalatigheid in de werkzaamheden en (ii) het maken van veel herhaaldelijke fouten. In de ontslagbrief is opgenomen dat er op 21 november 2025 met werknemer is gesproken over deze omstandigheden. Werknemer heeft zich vervolgens ziekgemeld. Er hebben volgens werkgeefster op 21 augustus 2026 en op 16 oktober 2025 gesprekken plaatsgevonden waarin met werknemer gesproken zou zijn over deze omstandigheden en verslagen zouden zijn overgelegd aan werknemer. Werknemer is volgens werkgeefster op beide momenten aangesproken op het feit dat hij afspraken niet nakomt, ook niet na meermaals herinneren. In januari 2025 is werknemer een vaststellingsovereenkomst aangeboden wegens onvrede en hierover is veelvuldig gesproken met werknemer. Deze vaststellingsovereenkomst is ingetrokken om werknemer nogmaals een kans te geven in het verbeteren van zijn werkzaamheden. Op 21 november 2025 moest werknemer voor 09:00 uur een bestelling plaatsen om een claim van een klant te kunnen voorkomen. Dit heeft werknemer niet gedaan. De bestelling komt hierdoor niet voor uitlevering binnen en de klant heeft een schadeclaim ingediend. Werknemer is het niet eens met het ontslag op staande voet en verzoekt een veroordeling van werkgeefster tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 25.420,80 bruto.
Oordeel
De kantonrechter begrijpt uit de ontslagbrief dat er voorafgaand aan het incident op 21 november 2025 bij de werkgeefster al langer sprake was van irritatie over hoe werknemer zijn werk deed. Het (niet) handelen van werknemer op 21 november 2025 was voor werkgeefster de druppel. Er is niet gebleken dat werknemer bewust of door laksheid de e-mail niet op tijd heeft verstuurd. Werknemer heeft een opsomming gegeven van alle werkzaamheden die hij aan het begin in de ochtend moest verrichten en die opsomming is niet weersproken door werkgeefster. Als er sprake is van disfunctioneren (waar het volgens werkgeefster op neerkomt), dan moet een werkgeefster de werknemer hiervan tijdig in kennis stellen en hem voldoende de gelegenheid geven zijn functioneren te verbeteren. Het blijkt dat dit is gebeurd. Uit de verslagen die zijn opgemaakt (zo stelt werkgeefster) tijdens de eerdere gesprekken over het functioneren van werknemer blijkt niet dat er sprake was van een verbeterplan- of traject. Er is geen verbetertraject waaruit werknemer had moeten begrijpen dat voor werkgeefster de maat vol was in verband met zijn functioneren. In die zin valt volgens de kantonrechter te begrijpen dat het ontslag op staande voet voor de werknemer als een verrassing kwam. Dat werkgeefster ook in de maag zat met het incident en het ontslag blijkt uit het appcontact waarin de directeur van werkgeefster excuses heeft aangeboden. De kantonrechter leidt hieruit af dat werkgeefster zelf ook van mening was dat het ontslag op staande voet wellicht een te rigoureuze maatregel was. De niet tijdig verstuurde e-mail in de morgen van 21 november 2025, waarvan niet duidelijk is of werknemer de ondubbelzinnige instructie van werkgeefster kreeg deze tijdig te versturen, in combinatie met beschuldigingen van disfunctioneren waarvoor geen verbetertraject met werknemer besproken zijn, is te mager voor een ontslag op staande voet. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding. Een billijke vergoeding ter hoogte van vier maandsalarissen wordt redelijk geacht, ook met het oog op het feit dat werknemer geen vernietiging verzoekt, het korte dienstverband en het feit dat werknemer zich bewust moet zijn geweest van de strubbelingen in de arbeidsverhouding.. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.
