Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkgevers hebben al de nodige voorzorgsmaatregelen genomen om te voorkomen dat hun werknemers kunnen uitglijden door het (laten) leggen van antisliptegels voor de frituurpannen. Daarmee hebben zij aan hun zorgplicht voldaan.

Feiten

Werknemer is van 1 mei 2024 tot 1 juni 2025 bij werkgevers in dienst geweest als chauffeur. Op 21 augustus 2024 was werknemer voor werkgevers werkzaam en in de frituur ten val gekomen. Werknemer heeft werkgevers op 22 augustus 2024 een Whatapp-bericht gestuurd, dat hij die dag ervoor was gevallen met dweilen en die avond tot laat in het ziekenhuis heeft gezeten. Hij heeft zich afgemeld voor het werk. Vanaf 21 augustus 2024 tot het einde van het dienstverband was werknemer arbeidsongeschikt. Er is een medisch rapport door arts X opgesteld, waarin is geconcludeerd dat “als gevolg van het ongeval (adequaat trauma) een recidief patellapeesruptuur is ontstaan. Het is aannemelijk dat aangezien sprake is van een adequaat trauma de recidief patellapeesruptuur het gevolg is van het onderhavige ongeval”. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat werkgevers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zowel de materiële als immateriële schade.

Oordeel

Onbetwist is dat werknemer op 21 augustus 2024 aan het werk was voor werkgevers en dat hij daarvoor (mede) in de frituur aanwezig was. Werkgevers betwisten dat werknemer gevallen is toen hij de vloer aan het dweilen was en voeren aan dat collega’s werknemer niet hebben zien vallen, maar alleen op de grond hebben zien liggen. Werknemer is dus op de grond aangetroffen. Werknemer heeft werkgevers bovendien een dag later bericht dat hij was gevallen en letsel had. Dit is in de berichtgeving daarna niet door werkgevers betwist. Het begrip “zijn werkzaamheden” dient bovendien ruim te worden opgevat. Nu de schoonmaakwerkzaamheden wel zijn uitgevoerd in de frituur en vallen onder werkzaamheden die gebruikelijk zijn in een frituur, voldoen deze werkzaamheden aan de kwalificatie van “uitoefening van zijn werkzaamheden”. Daar komt bij dat werkgevers in de berichten met werknemer van vlak na de melding van zijn val, er geen blijk van hebben gegeven dat het raar was dat werknemer aan het dweilen was. Zij hebben hierover geen vragen gesteld of opmerkingen gemaakt. Verder is onweersproken dat werknemer na het ongeval geopereerd was en zijn werkzaamheden niet meer heeft kunnen hervatten. Omdat werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden moeten werkgevers stellen en bewijzen dat zij hun zorgplicht zijn nagekomen. Het ongeluk dat werknemer is overkomen, hoort thuis in de categorie “huis-, tuin- en keuken”-gevaren waarvoor een werkgever niet kan of hoeft te waarschuwen. Het is van algemene bekendheid dat een natte vloer glad(der) is, zodat er meer oplettendheid mag worden verwacht van degene die dweilt. Werkgevers hebben al de nodige voorzorgsmaatregelen genomen om te voorkomen dat hun werknemers kunnen uitglijden door het (laten) leggen van anti sliptegels voor de frituurpannen. Daarmee hebben zij aan hun zorgplicht voldaan. Hoe ongelukkig de val van werknemer ook is geweest, het kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat werkgevers ter zake enig verwijt te maken valt. De vorderingen worden afgewezen.