Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 27 mei 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5157
Feiten
Werkneemster is met ingang van 1 mei 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden in dienst getreden van werkgeefster. Eind juni 2025 zijn partijen onder nagenoeg dezelfde voorwaarden een nieuwe arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden aangegaan, die liep tot en met 31 december 2025. Werkneemster was werkzaam als administratief medewerkster voor 25 uur per week. Op 22 juli 2025 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Nadien heeft zij haar werkzaamheden voor werkgeefster niet meer hervat. Werkneemster heeft werkgeefster meermaals verzocht een bedrijfsarts in te schakelen. Werkgeefster heeft dit niet gedaan en stelde zich op het standpunt dat werkneemster niet ziek was. Uiteindelijk heeft werkneemster een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Uit de stukken bleek dat werkneemster vanaf 22 juli 2025 arbeidsongeschikt werd geacht voor haar werkzaamheden en dat de re-integratie-inspanningen van werkgeefster onvoldoende waren geweest. Werkgeefster heeft over een deel van de ziekteperiode geen loon betaald en volgens werkneemster was ook eerder te weinig loon uitbetaald. Daarnaast stelde werkneemster dat geen correcte loonstroken en geen volledige eindafrekening waren verstrekt.
Werkneemster verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden omdat er sprake zou zijn van omstandigheden waardoor van haar in redelijkheid niet langer kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren en omdat werkgeefster tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Daarnaast verzoekt zij om toekenning van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor juridische bijstand. Tevens vordert zij betaling van achterstallig loon, vakantiebijslag, niet-genoten verlofuren, wettelijke verhoging en wettelijke rente, alsmede verstrekking van correcte loonstroken, een volledige eindafrekening en een jaaropgave. In afwachting van een beslissing in de hoofdzaak vraagt werkneemster tevens bij wijze van voorlopige voorziening om doorbetaling van loon zolang de arbeidsovereenkomst voortduurde en zij arbeidsongeschikt was.
Werkgeefster voert verweer en stelt onder meer dat werkneemster niet ziek was. Volgens werkgeefster heeft werkneemster bij indiensttreding verklaard haar functie zonder beperkingen te kunnen uitoefenen en waren er aanwijzingen dat zij ten onrechte een beroep deed op ziekte. Werkgeefster meent daarom niet gehouden te zijn loon door te betalen.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat de arbeidsovereenkomst inmiddels van rechtswege is geëindigd. Omdat ontbinding van een arbeidsovereenkomst niet met terugwerkende kracht mogelijk is, wordt werkneemster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot ontbinding. Om dezelfde reden bestaat er geen grondslag voor toekenning van een billijke vergoeding. Wel komt werkneemster in aanmerking voor een transitievergoeding, omdat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd en niet aansluitend op initiatief van werkgeefster is voortgezet. Ten aanzien van de loonvorderingen oordeelt de kantonrechter dat werkgeefster niet zelf mag beoordelen of de ziekmelding terecht is. Indien daarover twijfel bestaat, had zij werkneemster door een bedrijfsarts moeten laten onderzoeken. Nu werkgeefster dat heeft nagelaten en uit de stukken van het UWV voldoende blijkt dat werkneemster arbeidsongeschikt is, wordt uitgegaan van de arbeidsongeschiktheid van werkneemster. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat werkneemster recht heeft op nabetaling van te weinig betaald loon, achterstallig loon gedurende de ziekteperiode, vakantiebijslag en vergoeding van niet-genoten vakantie-uren. Ook de gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente worden toegewezen. Verder wordt werkgeefster veroordeeld tot verstrekking van correcte loonstroken en een jaaropgave.
De gevorderde vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor juridische bijstand wordt afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende is gebleken van omstandigheden die een veroordeling in de werkelijke proceskosten rechtvaardigen. Omdat in de hoofdzaak uitspraak wordt gedaan, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Werkgeefster wordt als overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van werkneemster.
Tegenverzoek
Werkgeefster vordert dat werkneemster verschillende bedragen aan haar terugbetaalt. Volgens werkgeefster heeft werkneemster reeds vóór de formele indiensttreding werkzaamheden verricht waarvoor betaling is ontvangen, moet het tijdens ziekte betaalde loon worden terugbetaald en heeft werkgeefster kosten gemaakt om vermeend vals ziekteverzuim te voorkomen. De kantonrechter wijst het tegenverzoek volledig af. Voor de vergoeding die werkneemster heeft ontvangen voor verrichte werkzaamheden bestaat geen grond voor terugbetaling. Ook het loon over de ziekteperiode hoeft niet te worden terugbetaald, nu werkneemster juist aanspraak heeft op loon tijdens arbeidsongeschiktheid. Voor de overige gevorderde bedragen ontbreekt een toereikende toelichting en een rechtsgrond. Gezien de beperkte omvang van het debat daarover bepaalt de kantonrechter dat partijen ieder hun eigen proceskosten ten aanzien van het tegenverzoek dragen.
