Naar boven ↑

Rechtspraak

FNV en CNV/Temper c.s.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 juni 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1612
Temper is uitzendwerkgever. Vordering toewijsbaar als cao-nakomingsvordering en als WAMCA-vordering.

Feiten

Temper B.V. is een online platform voor werk, waar werkers en opdrachtgevers overeenkomsten kunnen sluiten over uit te voeren werkzaamheden. Daarbij sluiten zowel de werkers als de opdrachtgevers een gebruikersovereenkomst met Temper. Temper stelt op zijn website een modelopdrachtovereenkomst ter beschikking waar werker en opdrachtgever ten behoeve van een klus gebruik van kunnen maken. Volgens vakbonden FNV en CNV is sprake van een constructie van schijnzelfstandigheid en zijn de werkers in werkelijkheid geen zelfstandigen maar uitzendkrachten van Temper. De rechter in eerste aanleg oordeelde dat geen sprake was van een uitzendovereenkomst, omdat op essentiële onderdelen niet werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:610/690 BW. Bovendien wees de rechter de collectieve vorderingen grotendeels af op formele gronden.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. 

Ontvankelijkheid artikel 3 lid 2 Wet AVV en WAMCA

Op grond van artikel 3 lid 2 Wet AVV kunnen werkgevers- en werknemersverenigingen met leden die partij zijn bij een arbeidsovereenkomst waarop de algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen van toepassing zijn, de nietigheid inroepen van bedingen in een overeenkomst die een werkgever en een werknemer ten onrechte niet beschouwen als een arbeidsovereenkomst en kunnen zij nakoming vorderen van de algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen die op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn. Een dergelijke cao-nakomingvordering wordt niet ingesteld ‘namens iedere werknemer’. Voor de toewijsbaarheid daarvan is niet nodig dat wordt onderzocht welke aantallen individuele werknemers tegen de gedragslijn van de werkgever bezwaar hadden. In het kader van een vordering op de voet van artikel 3 lid 2 Wet AVV kan een rechter gehouden zijn te beoordelen of tussen een werkgever/opdrachtgever en werkenden gesloten overeenkomsten kunnen worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomsten waarop algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen van toepassing zijn. Aan een mogelijk kwalificatieoordeel van de rechter in een procedure op de voet van artikel 3 lid 2 Wet AVV komt – anders dan aan een uitspraak in een collectieve actie, die in beginsel bindend is voor alle personen die behoren tot de nauw omschreven groep personen wier belangen in de collectieve vordering worden behartigd (art. 1018f Rv en art. 1018k Rv) – geen gezag van gewijsde toe in een latere procedure tussen de werkende en de werkgever/opdrachtgever, omdat de werkende geen partij was in eerstbedoelde procedure (art. 236 lid 1 Rv). Zie HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319 (Uber), r.o. 3.7.2.-3.7.3.

De primaire vordering onder I, waarin de kwalificatie van de overeenkomst van de Temper-werkers met Temper aan de orde wordt gesteld, is (ook) een cao-nakomingsvordering. Datzelfde geldt voor de primaire vordering onder II, voor zover deze betrekking heeft op de (AVV) cao voor uitzendkrachten.

Anders dan Temper en geïntimeerden betogen, lopen de individuele omstandigheden van de Temper-werkers niet te veel uiteen om in een procedure op de voet van artikel 3 lid 2 Wet AVV een algemeen oordeel te kunnen geven over de kwalificatie van hun overeenkomst met Temper. Bij die kwalificatievraag draait het om de werkwijze van Temper op het platform. Op dat punt zijn de individuele omstandigheden van de Temper-werkers voldoende gelijk. Partijen nemen voorts terecht tot uitgangspunt dat de bonden de cao-schadevordering (primaire vordering onder VI) uit eigen hoofde kunnen instellen. 

WAMCA naast Wet AVV: bonden voldoende representatief

De aard van de vorderingen is erin gelegen dat het gaat om vorderingen van de bonden, die, naar niet ter discussie staat, gevestigde belangenorganisaties zijn die voor inwerkingtreding van de WAMCA een belangrijke rol speelden in het handhaven van de belangen van (groepen van) werkenden door het instellen van collectieve vorderingen die niet strekten tot schadevergoeding in geld. Zoals hiervoor vermeld is het niet de bedoeling van de wetgever dat de WAMCA het dergelijke organisaties onnodig moeilijk maakt om hun werk voort te zetten. Met de resterende WAMCA-vorderingen – die niet strekken tot schadevergoeding in geld en ook geen opmaat voor dergelijke vorderingen vormen – zetten de bonden hun collectieveactiepraktijk van voor inwerkingtreding van de WAMCA voort. Naar het oordeel van het hof is in voldoende mate aan de eis van representativiteit voldaan vanwege de hiervoor al genoemde aard van de vorderingen: het gaat om vorderingen van de bonden, die, naar niet ter discussie staat, gevestigde belangenorganisaties zijn die voor inwerkingtreding van de WAMCA een belangrijke rol speelden in het handhaven van de belangen van (groepen van) werkenden door het instellen van collectieve vorderingen die niet strekten tot schadevergoeding in geld in collectieve acties. Bij de ex nunc uit te voeren ontvankelijkheidstoets komt daar in hoger beroep bij dat de vereiste steun voor deze collectieve actie verder kan worden afgeleid uit het resultaat van de opt-out/opt-in fase, waarin onder meer 117 opt-in verklaringen zijn afgelegd en, hoewel een groot aantal opt-out verklaringen is afgelegd, de grote meerderheid van de Temper-werkers niet een dergelijke verklaring heeft afgelegd. Dat, blijkens de door Temper en geïntimeerden in het geding gebrachte getuigenverklaringen, de voeging aan de zijde van Temper door geïntimeerden en het grote aantal opt-outs, tegelijkertijd een aanzienlijk deel van de Temper-werkers zich niet vertegenwoordigd voelt door de bonden en niet achter deze collectieve actie staat, staat niet eraan in de weg dat aan het vereiste van representativiteit is voldaan.

Temper is uitzendwerkgever

Uit de door het hof vastgestelde feiten volgt dat Temper nauw betrokken is bij de wijze waarop de contractuele regeling van de driehoeksverhouding tussen Temper, de werker en de opdrachtgever tot stand komt, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en deze wordt uitgekeerd en de hoogte van deze beloningen (Deliveroo-arrest, r.o. 3.2.5, punten v, vi en vii). Het hof neemt hierbij in aanmerking dat volgens de bonden en Temper de door Temper doorgevoerde wijzigingen sinds de start van Temper in 2016 mineur en dus in dit verband niet relevant zijn. Anders dan Temper meent, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, gezien deze mate van betrokkenheid van Temper, het platform niet louter worden gekarakteriseerd als een bemiddelingssite, zoals zij onder verwijzing naar eBay, Marktplaats, Airbnb en Vinted stelt. Ook acht het hof de 'vervangbaarheid' van Temperwerkers onvoldoende aanwezig om niet te kunnen spreken van persoonlijke arbeidsverrichting. Dat volgens Temper duizend mensen een account op het platform hebben, zich inschrijven op de 'allerbeste' klussen en die klussen vervolgens uitzetten tegen een lager tarief bij vervangers, waardoor het voor die mensen een verdienmodel is, leidt niet tot een ander oordeel. Kennelijk hebben de mensen uit deze groep persoonlijk geen enkele klus verricht via het platform, met als gevolg dat ten aanzien van hen geen uitzendovereenkomst met Temper tot stand is gekomen. De primaire vordering onder I ziet enkel op werkers die werkzaamheden verrichten of hebben verricht.

Anders dan Temper betoogt, loopt de werker geen commercieel risico (Deliveroo-arrest, r.o. 3.2.5, punt viii). Zoals hiervoor is overwogen, wordt ervan uitgegaan dat de werkers hun vorderingen aan Finqle verkopen. Zij krijgen dan hun vergoeding direct betaald tegen inhouding van 2,9%. Zij lopen aldus geen risico op niet-betaling van de gewerkte uren. Dat volgens Temper 'sommige' werkers 'grote investeringen hebben gedaan in het kader van de onderneming van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten', leidt niet tot een ander oordeel. Het laatste punt uit het Deliveroo-arrest is of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen (zie r.o. 3.2.5, punt ix). Volgens Temper heeft 91% van de werkers een btw-nummer en 53% een KvK-inschrijving. Dit betekent dat 9% van de werkers die geen btw-nummer heeft en 47% van de werkers die geen KvK-inschrijving heeft, zich niet als ondernemer kunnen gedragen. Voor de andere werkers geldt dat ondernemerschap, dat gericht is op het maken van winst, zich zonder nadere toelichting niet verhoudt met een gemiddeld uurtarief in 2025 van € 20,78, in aanmerking genomen dat een ondernemer daaruit allerlei kosten moet betalen die een werknemer niet heeft, zoals premies voor diverse verzekeringen en (eventueel) pensioenopbouw en btw-afdracht. Het gebruik van fiscale mogelijkheden om minder belasting te hoeven betalen, leidt niet tot een ander oordeel. 

Conclusie

De primaire vordering onder I is toewijsbaar, als cao-nakomingsvordering (zonder bindende kracht voor de nauw omschreven groep) en als WAMCA-vordering (met bindende kracht voor de nauw omschreven groep, behalve de opt-outers en met de opt-inners).