Rechtspraak
Feiten
Sinds 1 oktober 2013 is werknemer voor onbepaalde tijd in dienst als zeefdrukker bij werkgeefster (een vof). In februari 2025 is werknemer arbeidsongeschikt geraakt. In de arbeidsovereenkomst staat dat gedurende de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid 100% van het laatst genoten bruto dagloon wordt doorbetaald en dat gedurende de tweede 52 weken van 'ziekte' 70% van het laatst genoten bruto dagloon wordt betaald. De bewindvoerder van werknemer vordert onder meer dat werkgeefster (hoofdelijk) wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon (maart 2026 en april 2026), te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente over het te laat betaalde loon (december 2025 tot en met april 2026) en de buitengerechtelijke incassokosten. Werkgeefster erkent dat het loon niet op tijd is betaald, maar voert aan dat sprake is van betalingsonmacht.
Oordeel
Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde. Tussen partijen is niet in geschil dat werkgeefster inmiddels 100% van het loon over de maand maart 2026 heeft betaald. Voor het loon van de maand april zal het toe te wijzen bedrag worden beperkt tot 70% van het verschuldigde loon, nu werknemer, naar niet in geschil was, in april 2026 al meer dan een jaar arbeidsongeschikt was. Dat de term 'de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid' in de arbeidsovereenkomst op de door de bewindvoerder voorgestane wijze zou moeten worden uitgelegd, wordt niet gevolgd. Het enkele feit dat werkgeefster (kennelijk) aanleiding heeft gezien werknemer arbeidsongeschiktheid pas per juni 2025, ondanks eerdere daadwerkelijke uitval, administratief te verwerken, is daarvoor onvoldoende. De loonvordering van de maand mei 2026 zal, anders dan gevorderd, worden toegewezen 'zolang werkgeefster verplicht is het loon door te betalen'. In deze procedure is niet voldoende aannemelijk geworden dat werkgeefster, gelet op de periode van arbeidsongeschiktheid (en de in verband daarmee na verloop van tijd eindigende loondoorbetalingsverplichting), gehouden is het loon te betalen 'zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt' (tot uiterlijk, naar niet in geschil is, de datum dat werknemer AOW-gerechtigd is). Ook zal werkgeefster worden veroordeeld tot het verstrekken van de loonstroken. Een werkgever is namelijk gehouden op grond van artikel 7:626 BW aan een werknemer een loonstrook te verstrekken bij iedere loonbetaling. De stelling van werkgeefster dat werknemer zelf een toegangscode kan vragen aan de administrateur doet aan haar verantwoordelijkheid niet af. Ook de wettelijke verhoging is toewijsbaar, met dien verstande dat deze voor de periode december 2025 tot en met februari 2026, gelet op de (onbetwist gebleven) financiële moeilijkheden van werkgeefster, zal worden gematigd tot 10%. De bewindvoerder heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 346,10 worden toegewezen. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen.
